De rechtbank Rotterdam behandelde op 3 november 2020 het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om een gecertificeerde instelling (GI) te belasten met de voorlopige voogdij over het ongeboren kind van een minderjarige moeder. De moeder is minderjarig en daardoor onbevoegd tot het gezag over haar kind bij geboorte, wat leidt tot een gezagsvacuüm.
De Raad stelde dat de maatregel dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening te voorzien en verzocht de voorlopige voogdij met onmiddellijke ingang toe te kennen. De moeder en het ongeboren kind waren het hier niet mee eens en wilden dat de moeder zelf het gezag zou krijgen. De rechtbank oordeelde echter dat de voorlopige voogdij pas kan ingaan vanaf het moment van geboorte, omdat het gezag pas dan kan worden uitgeoefend.
De rechtbank besloot daarom de GI met ingang van de geboorte voor maximaal drie maanden te belasten met de voorlopige voogdij. In deze periode zal de Raad onderzoeken wie het gezag op langere termijn het beste kan uitoefenen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en kan binnen drie maanden worden aangevochten door belanghebbenden.