Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De vaststaande feiten
3..De vordering en het verweer in conventie
4..De vordering en het verweer in reconventie
5..De beoordeling
6..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
In deze kortgedingprocedure staat centraal of de arbeidsovereenkomst tussen eiser en gedaagde is aangegaan voor bepaalde tijd en of deze is geëindigd per 1 juni 2020. Eiser vordert betaling van loon vanaf die datum, terwijl gedaagde stelt dat de overeenkomst van rechtswege is geëindigd of anderszins is opgezegd.
De rechter stelt vast dat het bewijs van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, met name de authenticiteit van de handtekening van eiser onder de overeenkomst, onzeker is. De e-mailcorrespondentie en gedragingen van partijen bieden enige aanwijzingen, maar zijn onvoldoende om in kort geding tot een definitief oordeel te komen. Een bodemprocedure met getuigenverhoor en mogelijk deskundigenonderzoek is nodig.
De vorderingen van eiser worden daarom afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang en onzekerheid over de uitkomst in een bodemprocedure. De vordering tot betaling van een wettelijke verhoging wegens te late betaling van vakantietoeslag wordt eveneens afgewezen.
De vorderingen van gedaagde tot teruggave van bedrijfskleding en sleutels worden toegewezen, waarbij een redelijke termijn en een gematigde dwangsom worden vastgesteld. Proceskosten worden gecompenseerd omdat partijen deels in het ongelijk zijn gesteld.
Uitkomst: Vorderingen van eiser tot loonbetaling worden afgewezen; eiser wordt veroordeeld tot teruggave van sleutels en bedrijfskleding.