Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2020 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
(gemachtigde: mr. J.C. Avedissian).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Verweerder trok deze uitkering in omdat verzoekster volgens hem een gezamenlijke huishouding zou voeren met haar partner, die vijf nachten per week in zijn eigen woning slaapt maar overdag vaak bij verzoekster verblijft.
Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had verricht naar het hoofdverblijf van de partner, omdat alleen werd gekeken naar de tijd die hij in verzoeksters woning doorbracht en niet naar zijn verblijf in zijn eigen woning.
De rechter benadrukte dat het aantal nachten dat iemand in een woning slaapt een zwaarwegend element is voor het bepalen van het hoofdverblijf. Omdat de partner vijf nachten per week in zijn eigen woning slaapt, is het niet aannemelijk dat hij zijn hoofdverblijf bij verzoekster heeft.
De voorzieningenrechter kwam daarom niet toe aan de vraag of sprake is van wederzijdse zorg, maar wees verweerder op recente jurisprudentie over gezamenlijke huishouding, met name gelet op de mantelzorgsituatie van verzoekster.
De voorlopige voorziening werd toegewezen, het bestreden besluit geschorst en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt geschorst.