ECLI:NL:RBROT:2020:11623
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens schending redelijke termijn en onjuiste doorzending beroep
Eiser verzocht verweerder om terug te komen op een besluit, maar verweerder nam geen inhoudelijk besluit en stuurde het verzoek door naar de rechtbank, die het beroep vervolgens onterecht doorzond naar de Centrale Raad van Beroep. Eiser klaagde over het uitblijven van een beslissing en stelde dat verweerder een dwangsom verschuldigd was wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank oordeelde dat de klacht van eiser als ingebrekestelling kan worden aangemerkt, maar dat verweerder geen dwangsom verschuldigd is omdat hij binnen de termijn schriftelijk reageerde en duidelijk maakte niet te zullen beslissen. De rechtbank stelde dat eiser geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling omdat het oorspronkelijke besluit later was ingetrokken.
Daarnaast kende de rechtbank eiser een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van meer dan twee jaar, veroorzaakt door de onjuiste doorzending van het beroep. De vergoeding werd vastgesteld op €3.000,-, en tevens werden proceskosten van €18,- toegekend. De Staat werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep op dwangsom af maar veroordeelt de Staat tot betaling van €3.000,- schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.