ECLI:NL:RBROT:2020:12141

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 september 2020
Publicatiedatum
25 december 2020
Zaaknummer
10/149041-20
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 5 OpiumwetArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens ontbreken wetenschap van cocaïne en witwassen geld in verborgen ruimte auto

De rechtbank Rotterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het invoeren, vervoeren en aanwezig hebben van ongeveer 836 gram cocaïne en het witwassen van een geldbedrag van €40.145,-. De tenlastelegging betrof het opzettelijk binnenbrengen en/of vervoeren van de cocaïne en het witwassen van het geldbedrag, beide verborgen in een afgesloten ruimte achter de kentekenplaat van een auto.

Tijdens de terechtzitting op 15 september 2020 werd vastgesteld dat het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs had geleverd dat verdachte wetenschap had van de verborgen ruimte en de daarin aanwezige goederen. De verdachte verklaarde de auto geleend te hebben om naar zijn vriendin in Antwerpen te gaan en ontkende kennis van de drugs en het geld. De rechtbank vond dat alleen het besturen van de auto onvoldoende was om wetenschap en beschikkingsmacht aan te nemen.

De officier van justitie had een gevangenisstraf van 12 maanden geëist, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, maar de rechtbank sprak verdachte vrij wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daarnaast werden de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder geld, cocaïne, een personenauto en een iPhone 11, grotendeels teruggegeven aan de rechthebbenden. De auto werd teruggegeven aan een derde die als rechthebbende werd aangemerkt.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van wetenschap en beschikkingsmacht over cocaïne en geld in verborgen ruimte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10/149041-20
Datum uitspraak: 29 september 2020
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in Detentiecentrum Rotterdam,
raadsvrouw mr. K. Kuster, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 september 2020.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 (twee) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaar en de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geadviseerd door de Reclassering Nederland in haar rapport van 30 juli 2020.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Vrijspraak
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De verklaring van de verdachte dat hij niet wist van de verborgen ruimte en de goederen die daarin lagen en dat hij de auto had geleend om naar zijn vriendin in Antwerpen te gaan, is naar de mening van de officier van justitie op geen enkele manier aannemelijk geworden. Ook gezien de waarde van het aangetroffen geld is het niet aannemelijk dat de verdachte geen kennis had van de aanwezigheid.
4.1.2.
Beoordeling
Voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten is vereist dat bij de verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de drugs en het geld in de verborgen ruimte in de auto en dat hij de beschikkingsmacht over die goederen had. Het is aan het Openbaar Ministerie om deze wetenschap en beschikkingsmacht te bewijzen. Dat het door de verdachte gepresenteerde scenario niet aannemelijk zou zijn, maakt dit uitgangspunt niet anders. De rechtbank benadrukt in dit verband dat zowel de cocaïne als de € 40.145,- buiten het zicht waren verstopt in een verborgen ruimte achter de aan de voorzijde van de auto bevestigde kentekenplaat. Deze ruimte was afgesloten middels de kentekenplaat. De enkele omstandigheid dat de verdachte de auto bestuurde is onvoldoende om te concluderen dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van de drugs en het geld in de verborgen ruimte in de auto en (dus) evenmin dat hij daarover de beschikkingsmacht had.
De verdachte zal gelet op het voorgaande integraal worden vrijgesproken.
4.1.3.
Conclusie
Het ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

5..In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
geldbedrag van in totaal € 40.145,- (goednummers: [beslagnummer 1] , [beslagnummer 2] , [beslagnummer 3] , [beslagnummer 4] en [beslagnummer 5] );
836 gram cocaïne ( [beslagnummer 6] );
personenauto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] (goednummer: [beslagnummer 7] ).
geldbedrag van in totaal € 375,- (goednummer: [beslagnummer 8] );
iPhone 11.
5.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de voorwerpen onder nummers 1, 3 en 4 verbeurd te verklaren, het voorwerp onder nummer 2 te onttrekken aan het verkeer en het voorwerp onder nummer 5 terug te geven aan de verdachte.
5.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de voorwerpen onder nummers 4 en 5 dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Ten aanzien van de overige goederen heeft de verdediging zich ter terechtzitting niet uitgelaten.
5.3.
Beoordeling
Omdat de verdachte van de ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken, wordt de vordering van het openbaar ministerie tot verbeurdverklaring van de voorwerpen onder nummers 1 en 2 afgewezen. Nu de verdachte afstand heeft gedaan van deze voorwerpen, hoeft hier geen verdere beslissing over te worden genomen.
Ten aanzien van het voorwerp onder nummer 3 zal een last worden gegeven tot teruggave aan [naam persoon] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , omdat zij redelijkerwijs als rechthebbende van het voorwerp kan worden aangemerkt.
Ten aanzien van de voorwerpen onder nummers 4 en 5 zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

6..Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

7..Beslissing

De rechtbank:
verklaart niet bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
gelast de teruggave aan verdachte van het geldbedrag van in totaal € 375,- en de iPhone 11;
gelast de teruggave van de personenauto, voorzien van het kenteken [kentekennummer] , aan [naam persoon] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Hello, voorzitter,
en mrs. D.F. Smulders en W.M. Stolk, rechters,
in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij op of omstreeks 4 juni 2020 te Rotterdam, althans in Nederland opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 836 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 4 juni 2020 te Rotterdam opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 836 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 4 juni 2020, te Rotterdam, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten geld (40.145,- euro, althans enig geldbedrag), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.