De rechtbank Rotterdam behandelde een verzoek van het CIZ tot rechterlijke machtiging voor voortzetting van het verblijf van een cliënte met een verstandelijke beperking, autismespectrumstoornis en posttraumatische stressstoornis in een instelling van Stichting ASVZ.
De kernvraag was of de arts verstandelijk gehandicapten bevoegd was om de medische verklaring op te stellen, ondanks de aanwezige psychiatrische problematiek. De rechtbank bevestigde dat de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent het deskundigheidsterrein van psychiaters onverkort van toepassing blijft, maar oordeelde dat in dit geval de arts verstandelijk gehandicapten bevoegd was, mede op basis van een uitgebreide toelichting van de orthopedagoog.
De rechtbank stelde vast dat het gedrag van cliënte leidt tot ernstig nadeel, waaronder levensgevaar en ernstige psychische schade, en dat voortzetting van het verblijf noodzakelijk en geschikt is om dit te voorkomen. Er zijn geen minder ingrijpende alternatieven en cliënte verzet zich tegen het verblijf.
De machtiging tot voortzetting van het verblijf werd daarom verleend tot en met 13 december 2021. Tegen deze beschikking staat cassatie open.