Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
wonende te [postcode verzoeker] [woonplaats verzoeker] , [adres verzoeker] ,
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam legde op 1 november 2020 een huisverbod op aan verzoeker voor tien dagen, dat op 9 november 2020 werd verlengd met achttien dagen. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en vroeg tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het beroep op 27 november 2020.
Tijdens de zitting waren verzoeker, zijn gemachtigde en vertegenwoordigers van verweerder en Veilig Thuis aanwezig; de achterblijfster en haar moeder verschenen niet. De rechter oordeelde dat het gevaar voor de veiligheid van betrokkenen bij de woning nog steeds bestond en dat er geen reden was het huisverbod op te heffen.
Hoewel op 24 november 2020 een moeizaam partnergesprek plaatsvond en veiligheidsafspraken werden gemaakt, gingen deze pas in na afloop van het huisverbod. Hulpverlening was nog niet opgestart en het samenwonen van verzoeker en achterblijfster zou de minderjarige in de woning belasten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van het huisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.