Eiser maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak voor het belastingjaar 2017, vastgesteld op € 66.000,-. Na een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure, waarbij eiser de waarde uiteindelijk niet meer betwistte, werd het beroep ongegrond verklaard.
Eiser verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar, zoals bepaald in het EVRM. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn met ruim elf maanden was overschreden en dat eiser tijdig om vergoeding had verzocht. De rechtbank verwierp de stelling van verweerder dat eiser geen spanning en frustratie had ervaren.
De rechtbank kende een forfaitaire immateriële schadevergoeding van € 1.000,- toe. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 656,25, ondanks dat de rechtsbijstand was verleend op basis van een no-cure-no-payovereenkomst. De uitspraak benadrukt dat overschrijding van de redelijke termijn ook bij een ongegrond beroep tot vergoeding kan leiden.