ECLI:NL:RBROT:2020:2288
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens niet melden werkzaamheden als informeel bankier
Eiseres ontving sinds 2015 bijstand en werd onderzocht nadat contant geld werd aangetroffen in haar woning en zij werd verdacht van werkzaamheden als informeel bankier. Verweerder beëindigde de bijstand en vorderde €17.978,53 terug wegens niet gemelde inkomsten. Tevens werd een bestuurlijke boete van €5.534 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiseres voerde aan dat haar activiteiten van geringe omvang waren, zij geen inkomsten had genoten en dat een deel van het geld in bewaring was voor derden. Zij stelde ook dat zij sinds haar voorlopige hechtenis in april 2019 geen activiteiten meer verrichtte en daarom recht had op bijstand vanaf die datum. De rechtbank oordeelde dat het niet melden van de werkzaamheden als informeel bankier een schending van de inlichtingenplicht is en dat eiseres onvoldoende bewijs leverde om het recht op bijstand vast te stellen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstand ongegrond. Ten aanzien van de boete oordeelde de rechtbank dat deze terecht was opgelegd, maar matigde het bedrag op grond van de draagkracht van eiseres tot €1.262,78. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed.
Uitkomst: Beroep tegen intrekking bijstand ongegrond; boete gematigd tot €1.262,78 en griffierecht vergoed.