ECLI:NL:CRVB:2016:8
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling boete wegens schending inlichtingenplicht bij bijstandsaanvraag
Appellant vroeg bijstand aan en gaf daarbij onjuiste informatie over zijn woonsituatie. Hij gaf aan alleenwonend te zijn, terwijl twee personen feitelijk bij hem inwoonden. Na onderzoek stelde het college de toeslag bij en legde een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht. De rechtbanken oordeelden verschillend over de hoogte van de boete en de mate van verwijtbaarheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat appellant recht had op een lagere toeslag omdat anderen op het adres woonden. De Raad oordeelde dat appellant de schending van de inlichtingenplicht beging tot 25 september 2013, waarna hij melding maakte. De boete werd vastgesteld op 75% van het benadelingsbedrag, passend bij grove schuld, en afgerond op €820.
De Raad verwierp het beroep van appellant op verminderde verwijtbaarheid, omdat hij vanaf het begin had moeten weten dat de inwoning relevant was en hij pas laat openheid van zaken gaf. Het college werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht werd aan appellant vergoed.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op €820 en de herziening van de bijstand wordt bevestigd.