ECLI:NL:RBROT:2020:2360

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
27 februari 2020
Publicatiedatum
19 maart 2020
Zaaknummer
10/700087-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid dagvaarding wegens niet-betekening in valsheid in geschrifte en oplichting

Op 27 februari 2020 heeft de rechtbank Rotterdam in een meervoudige kamer voor strafzaken uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van valsheid in geschrifte en oplichting. De tenlastelegging betrof het gebruik van vervalste bankafschriften om zich voor te doen als ontvanger van een maandelijks UWV-inkomen, met als doel wederrechtelijk financieel voordeel te behalen.

Tijdens de terechtzitting bleek dat de dagvaarding niet op de wettelijk voorgeschreven wijze aan verdachte was betekend. Bovendien was verdachte niet verschenen op de zitting. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de dagvaarding nietig was. De rechtbank volgde dit standpunt en verklaarde de dagvaarding nietig.

De tenlastelegging omvatte onder meer het gebruik van valse bankafschriften over de periodes mei en augustus 2018, waarbij fictieve inkomens werden vermeld om een leningsovereenkomst aan te gaan en schulden teniet te doen. De rechtbank heeft de dagvaarding niet inhoudelijk beoordeeld vanwege de nietigheid.

De uitspraak werd gedaan door voorzitter Milders en rechters de Winkel en van Mulbregt, in aanwezigheid van griffier Scholtens. De nietigheid van de dagvaarding betekent dat de strafzaak niet verder kan worden behandeld zolang de dagvaarding niet rechtsgeldig wordt betekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de dagvaarding nietig wegens niet-betekening en afwezigheid van verdachte.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10/700087-19
Datum uitspraak: 27 februari 2020
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] (Suriname) op [geboortedatum verdachte] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] .

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 februari 2020.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3.Geldigheid dagvaarding

Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding nietig is.
Beoordeling
Niet is gebleken dat de dagvaarding op de bij de wet voorgeschreven wijze aan de verdachte is betekend en de verdachte is ook niet ter terechtzitting verschenen. De dagvaarding is daarom nietig.

4.Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

5.Beslissing

De rechtbank:
verklaart de dagvaarding nietig.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. V.F. Milders, voorzitter,
en mrs. V.M. de Winkel en J.M.L. van Mulbregt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2020.
Bijlage
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1.
hij in of omstreeks de maand juni 2018 te Rotterdam en/of te Utrecht, althans
in Nederland
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam bedrijf] heeft bewogen tot de afgifte van enig
goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens,
het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
- tot de afgifte van een geldbedrag van 14.956,78 euro en/of
- tot het teniet doen van een inschuld van een geldbedrag van 14.844,22 euro,
door
- ( daartoe) een vals/vervalst bankafschrift over de periode van 20 mei 2018
tot en met 10 juni 2018 te verstrekken / aan te leveren aan [naam bedrijf]
en/of
- ( daarbij) (onder andere) op dat bankafschrift een niet bestaande/fictieve
bijschrijving van het UWV "Omschrijving SALARIS 05-2018" d.d. 22 mei 2018 ten
bedrage van 2.331,48 euro te vermelden en/of
- ( aldus) zich voor te doen alsof hij, verdachte, een maandelijks inkomen van
het UWV genoot van 2.331,48 euro;
art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 24 september 2018, althans in of omstreeks de maand
september 2018, te Rotterdam en/of te Utrecht, althans in Nederland
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander
wederrechtelijk te bevoordelen
door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[naam bedrijf] te bewegen tot de afgifte van enig goed,
het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het
aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten
het aangaan van een overeenkomst persoonlijke lening met een totaal
kredietbedrag van 48.000 euro,
- ( daartoe) een vals/vervalst bankafschrift over de periode van 1 augustus
2018 tot en met 31 augustus 2018 heeft verstrekt/aangeleverd aan [naam bedrijf]
en/of
- ( daarbij) (onder andere) op dat bankafschrift een niet bestaande/fictieve
bijschrijving van het UWV "Omschrijving SALARIS 08-2018" d.d. 22 augustus 2018
ten bedrage van 2.398,50 euro heeft vermeld en/of
- ( aldus) zich heeft voorgedaan alsof hij, verdachte, een maandelijks inkomen
van het UWV genoot van 2.398,50 euro,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 326 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht