Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
de Stichting Rookpreventie Jeugd, te Amsterdam;
de Stichting Inspire2Live, te Amsterdam;
Rode Kruis Ziekenhuis B.V., te Beverwijk;
de Stichting ClaudicatioNet, te Eindhoven;
de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde, te Utrecht;
Accare, Stichting Universitaire en Algemene Kinder- en Jeugdpsychiatrie Noord-Nederland(Groningen), te Assen;
de Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen, te Amsterdam;
de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose, te ’s-Hertogenbosch;
de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, te Utrecht;
de Koepel van Artsen Maatschappij en Gezondheid, te Utrecht;
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, te Utrecht;
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Volgens de Stichting moet bij de meting hoe dan ook worden uitgegaan van de werkelijke emissies van teer, nicotine en koolmonoxide bij beoogd gebruik, omdat anders het doel en de strekking van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn, mede in het licht van de artikelen 5, derde lid, van het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging, artikel 114, derde lid, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie (VWEU), de artikelen 24 en 35 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), overweging 59 van de considerans bij de Richtlijn en artikel 1 van Pro de Richtlijn alsmede bepalingen uit verschillende mensenrechtenverdragen die zien op het recht op gezondheid, niet wordt bereikt. Omdat de nationale regelgever ervan uitgaat dat artikel 4, eerste lid, van de Richtlijn wel een dwingende meetmethode voorschrift, en de Richtlijn ten aanzien van emissieniveaus en meetmethodes één op één is geïmplementeerd in het Besluit en de Regeling, biedt de nationale wet- en regelgeving niet de door artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn en de door artikel 22, eerste lid, van de Grondwet beoogde bescherming, aldus de Stichting. De Stichting heeft de rechtbank gelet op een en ander verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).
- NEN-ISO 4387:2000/A1:2008 Sigaretten – Bepaling van het totale nicotine-vrije droge, rookcondensaat bij gebruik van een rookmachine voor routinematig analyse onderzoek van sigaretten, voor het emissieniveau van teer;
- NEN-ISO 10315:2013 Sigaretten – Bepaling van het gehalte nicotine in rookcondensaten – Gaschromatografische methode, voor het emissieniveau van nicotine;
- NEN-ISO 8454:2007/A1:2009 Sigaretten – Bepaling van koolmonoxide in de gasfase van sigarettenrook – NDIR-methode, voor het emissieniveau van koolmonoxide.
- NEN-ISO 8243:2013 Sigaretten – Monsterneming.
10 december 2002 (ECLI:EU:C:2002:741) inzake British American Tobacco e.a.), kan ter overbrugging van de periode die met de totstandkoming van nieuwe Uniewetgeving gemoeid is, ook de mogelijkheid van tijdelijke nationale maatregelen aan de orde komen. Zo biedt artikel 17a, vierde lid, van de Wet, de implementatie van artikel 24, derde lid, van de Richtlijn, verweerder de mogelijkheid om met een ministeriële regeling bepaalde categorieën van tabaksproducten, die voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet, te verbieden, indien dit wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de volksgezondheid te beschermen.
Beslissing
mr. S.A. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is gedaan op 20 maart 2020 en opbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.