Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 november 2022 in de zaak tussen
de Stichting Rookpreventie Jeugd, te Amsterdam;
de Stichting Inspire2Live, te Amsterdam;
Rode Kruis Ziekenhuis B.V., te Beverwijk;
de Stichting ClaudicatioNet, te Eindhoven;
de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde, te Utrecht;
Accare, Stichting Universitaire en Algemene Kinder- en Jeugdpsychiatrie Noord-Nederland(Groningen), te Assen;
de Vereniging Praktijkhoudende Huisartsen, te Amsterdam;
de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose, te ’s-Hertogenbosch;
de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde, te Utrecht;
de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, te Utrecht;
de Koepel van Artsen Maatschappij en Gezondheid, te Utrecht;
de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde, te Utrecht;
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,
Procesverloop
P. Rijswijk en G. de Kort. Namens VSK is verschenen J.H.J.M. Sträter.
Overwegingen
20 september 2018. De omstandigheid dat de gemeenteraad van Amsterdam de Nota Volksgezondheid Amsterdam 2017-2020 genaamd “Preventief verbinden: winst voor Amsterdam en Amsterdammers” – waarin het thema roken en alcoholgebruik is opgenomen – heeft vastgesteld, en dat uit artikel 2, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid volgt dat het college van burgemeester en wethouders de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen bevordert, maakt niet dat het algemene belang van volksgezondheid dat is gemoeid met de naleving van het doel en de strekking van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn en de daarop gebaseerde nationale wet- en regelgeving deel uitmaakt van de aan het college toevertrouwde belangen.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AT9239) volgt daarentegen dat het feit dat aan het gemeentebestuur in algemene zin taken op het terrein van de volksgezondheid en milieu toekomen, onvoldoende is om te kunnen spreken van aan hen toevertrouwde belangen in de zin van art. 1:2, tweede lid, van de Awb voor zover het gaat om de vaststelling hogere waarden voor geluidbelasting vanwege een spoorweg voor woningen in de betreffende gemeente door het college van gedeputeerde staten. Gelet op deze rechtspraak is artikel 2, eerste lid, van de Wet publieke gezondheid onvoldoende specifiek om als een wettelijke basis te fungeren om de naleving van het doel en de strekking van artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn en de daarop gebaseerde nationale wet- en regelgeving aan te merken als de aan het college toevertrouwde belangen.
De rechtbank leest artikel 14 van Pro de Wet, in verbinding met artikel 7.1 van de Regeling, daarom aldus dat de bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag zoals door eisers is gedaan toekomt aan de NVWA. De NVWA is een agentschap van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), maar de Minister en de Staatssecretaris van LNV hebben geen rol in de Wet. Gelet hierop treedt de NVWA in het kader van artikel 14 van Pro de Wet op als zelfstandig bestuursorgaan (vgl. ECLI:NL:CBB:2021:179 en ECLI:NL:CBB:2018:491). Verweerder heeft daarom ten onrechte op het bezwaar beslist. Dit gebrek in de besluitvorming op bezwaar betekent echter niet dat aan een beoordeling van de inhoud van het beroep niet kan worden toegekomen, zoals de rechtbank ook in haar tussenuitspraak heeft overwogen. Omdat de medewerkers van de NVWA op de zitting van 11 november 2019 hebben medegedeeld dat de NVWA tot een inhoudelijk gelijkluidend besluit op bezwaar zou zijn gekomen, ziet de rechtbank aanleiding het bevoegdheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat niet aannemelijk is dat de Stichting hierdoor is benadeeld (vgl. ECLI:NL:RVS:2017:2943).
De rechtbank zal zich hierna daarom buigen over de vraag wat het Hof moet hebben bedoeld met deze twee begrippen.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover ingediend door de Stichting gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de NVWA binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuwe beslissing op bezwaar neemt;
- verklaart het beroep voor zover ingediend door eisers 2 tot en met 15 ongegrond;
- bepaalt dat verweerder aan de Stichting het betaalde griffierecht van € 345 vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van de Stichting tot een bedrag van € 6.831.