ECLI:NL:RBROT:2020:2501

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
13 maart 2020
Publicatiedatum
24 maart 2020
Zaaknummer
ROT 19/5883
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen herziening kindgebonden budget en betalingsregeling

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Belastingdienst Toeslagen waarbij het kindgebonden budget voor 2019 opnieuw werd vastgesteld op nihil en het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank stelt vast dat deze zaak afhankelijk is van een andere beroepszaak tegen de Sociale Verzekeringsbank, waarin het beroep reeds ongegrond is verklaard.

In die andere zaak is overwogen dat het invorderingsbesluit een betalingsregeling inhoudt waarbij eiseres zes maanden € 50,- en één maand € 14,24 moet betalen, en dat eiseres hiertegen geen bezwaren heeft geuit. De gronden van eiseres betreffen het besluit tot herziening van de kinderbijslag, waartegen geen bezwaar is gemaakt, waardoor dit besluit rechtsgeldig is.

Verweerder heeft toegelicht dat alle inkomsten in het eerste kwartaal van 2019 meetellen, inclusief de eindejaarsuitkering van 2018. De rechtbank begrijpt dat dit vervelend is voor eiseres, maar ziet geen gronden om het besluit te wijzigen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

De uitspraak is op 13 maart 2020 in het openbaar gedaan door rechter F.P.J. Schoonen, in aanwezigheid van griffier I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het besluit tot vaststelling van het kindgebonden budget en de betalingsregeling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/5883
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde] ,
en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder,

gemachtigde: J. Chattou.
Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het kindgebonden budget voor het berekeningsjaar 2019 opnieuw berekend en vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 15 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Eiseres is met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting op 13 maart 2020 heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De rechtbank stelt vast dat deze zaak afhankelijk is van de beroepszaak van eiseres tegen de Sociale Verzekeringsbank. Deze zaak is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer ROT 19/5404. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep in deze zaak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarin overwogen dat het besluit waartegen eiseres is opgekomen het invorderingsbesluit is inhoudende een betalingsregeling waarbij eiseres zes maanden € 50,- dient te betalen en één maand € 14,24. In beroep heeft eiseres geen gronden aangevoerd tegen deze invordering. Immers, zij heeft tijdens de hoorzitting aangegeven dat de betalingsregeling van € 50,- per maand geen problemen oplevert. De gronden van eiseres zien op het besluit van 11 juni 2019, waarbij haar recht op kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal 2019 is herzien. Omdat zij hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt, staat dit besluit in rechte vast. Verweerder heeft tijdens de hoorzitting, zo blijkt uit het verslag, aangegeven dat alle inkomsten ontvangen in (het eerste kwartaal) 2019 meetellen, dus ook het bedrag dat ziet op de eindejaarsuitkering van 2018. Hoewel de rechtbank begrijpt dat dit heel vervelend is voor eiseres, ziet zij in hetgeen door eiseres is aangevoerd geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.
Gelet hierop is het beroep in de onderhavige zaak ook ongegrond.
Deze uitspraak is op 13 maart 2020 in het openbaar gedaan door mr. F.P.J. Schoonen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier.
De griffier is verhinderd
Deze uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.