ECLI:NL:RBROT:2020:2575
Rechtbank Rotterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg
De officier van justitie verzocht op 17 maart 2020 om voortzetting van een op 15 maart 2020 opgelegde crisismaatregel voor een betrokkene die verblijft in een GGZ-instelling. De mondelinge behandeling vond plaats op 18 maart 2020, waarbij betrokkene en haar advocaat telefonisch werden gehoord, evenals een psychiater in opleiding.
De rechtbank beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 7:7 en Pro 7:8 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Er werd vastgesteld dat er sprake was van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychotisch en manisch toestandsbeeld, vermoedelijk veroorzaakt door drugsgebruik. Betrokkene vertoonde wanen, impulsief gedrag en was in verwarde toestand aangetroffen.
De rechtbank achtte de voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk omdat de crisissituatie te ernstig was om de reguliere zorgmachtigingsprocedure af te wachten. De verplichte zorg omvatte medicatietoediening, medische controles, bewegingsbeperking, insluiting, toezicht en opname. Betrokkene verzette zich tegen deze zorg, maar er waren geen minder bezwarende alternatieven.
De machtiging werd verleend voor een periode van drie weken, tot en met 8 april 2020. Het verzoek om meer of andere maatregelen werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken wegens onmiddellijk dreigend ernstig nadeel door een psychotische en manische stoornis.