Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft [naam verzoeker] – verkort en zakelijk weergegeven – de volgende wrakingsgronden aangevoerd.
2.1.1
In het proces-verbaal van 14 februari 2020 van de zitting staat het volgende:
De rechter heeft [naam verzoeker] als journalist geen toestemming gegeven een geluidsopname tijdens de openbare zitting te maken.
Er wordt
contra legemvanuit gegaan dat [naam verzoeker] te kwader trouw is.
Een rechter van deze rechtbank is gehuwd met de voormalige directeur van bureau jeugdzorg en er zijn al meerdere zaken verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Bij de rechtbank Den Haag kon wel een geluidsopname worden gemaakt, nota bene door de rechter zelf.
[naam verzoeker] heeft het recht om een geluidsopname te maken, omdat het een openbare zitting is.
2.1.2
In de brief van 14 februari 2020, die [naam verzoeker] vrijwel direct na de zitting bij Centrale balie heeft ingeleverd, staat het volgende:
6. Aansprakelijkheidsprocedure 1 bij de rechtbank Den Haag met zaaknummer C/09/557980.
7. Aansprakelijkheidsprocedure 2 met kenmerk #2628698.
8. Verzoek tot verwijzing van het wrakingsverzoek naar een andere rechtbank.
9. De rechter liet [naam verzoeker] niet uitpraten.
10. De rechter gaf aan het boek, gepubliceerd in 2016, niet te kennen én niet op de hoogte te zijn van diverse verzoeken om gesprekken met de president van de rechtbank Rotterdam te voeren. Zij kent de dossiers niet dan wel heeft de dossiers niet gelezen.
2.1.3
In aanvulling op bovengenoemde wrakingsgronden heeft [naam verzoeker] bij e‑mailbericht van 14 februari 2020 ook nog het volgende gesteld:
[naam verzoeker] wil mondeling worden gehoord.
[naam verzoeker] wil in de gelegenheid worden gesteld om zowel de rechter als de president van de rechtbank Rotterdam, mevrouw De Lange-Tegelaar, te horen in verband met het beginsel van hoor en wederhoor.
De Rotterdamse wrakingskamer heeft nooit een verzoek van [naam verzoeker] gehonoreerd, hetgeen statistisch zeer onwaarschijnlijk is, omdat [naam verzoeker] de afgelopen jaren herhaaldelijk bij Hoven en drie keer bij de Hoge Raad in het kader van wraking in het gelijk is gesteld.
Mocht de wrakingskamer niet tot verwijzing van dit wrakingsverzoek naar een andere rechtbank overgaan, dan dient [naam verzoeker] bovendien een wrakingsverzoek tegen deze wrakingskamer in.
2.2
De rechter heeft niet in de wraking berust. De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking kan opleveren. Daarbij is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
De rechter heeft op de zitting van 14 februari 2020 [naam verzoeker] geen toestemming gegeven om beeld- en/of geluidsopnames te maken, omdat hij als partij aanwezig is en niet als journalist. De rechter heeft [naam verzoeker] bepaling 3.4.1. uit de Persrichtlijn voorgehouden en aangegeven dat een journalist eerst toestemming moet hebben verkregen alvorens opnamen te mogen maken en dit vooraf te melden. Het toestaan om opnamen te maken betreft een procedurele beslissing en zo’n beslissing kan slechts tot toewijzing van een wrakingsverzoek leiden als de (motivering van) die beslissing niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die deze beslissing heeft genomen. De rechter verwijst naar een uitspraak van de wrakingskamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd overwogen dat de weigering van de rechter om het filmen van de zitting toe te staan, niet aangemerkt werd als een schending van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk en onafhankelijk proces waarborgen (AbRS 5 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:1203; gepubliceerd op www.raadvanstate.nl onder zaaksnummer 201109777/2/A2). Voorts betwist de rechter dat zij de dossiers van [naam verzoeker] niet kent of niet heeft gelezen. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechter de dossiers gelezen. De rechter heeft geen kennis kunnen nemen van het boek, omdat er in de dossiers niet naar wordt verwezen en dus ook niet tot de processtukken behoort. Ook de gestelde eerder gedane verzoeken aan de president hebben niet in de onderhavige procedures plaatsgevonden. Overigens valt niet in te zien dat het gebrek aan wetenschap van het boek en de verzoeken een aanwijzing zou kunnen zijn dat de rechter vooringenomen zou zijn jegens [naam verzoeker] .