Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..De procedure
- het proces-verbaal van de zitting van 5 juni 2019;
- de beschikking van 10 juli 2019;
- de brief van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad) van 15 januari 2020;
- het rapport met bijlage van de raad van 3 februari 2020;
- het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 10 februari 2020.
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. De Vries-Veringa;
- mr. Schroeder, de advocaat van de man;
- de raad, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .
2..De beoordeling
- te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn;
- vervangende toestemming te verlenen om zich met de minderjarige te vestigen in Nederland.
- primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de in randnummer 52 van het verweerschrift omschreven regeling vast te leggen in een proces-verbaal;
- subsidiair de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken en de in randnummer 52 van het verweerschrift omschreven regeling – met uitzondering van punt 5 – te treffen dan wel de verzoeken van de vrouw af wijzen.