ECLI:NL:RBROT:2020:4019
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende controleerbare bewijs verblijfplaats
Eiser heeft zich op 19 maart 2019 als dakloze gemeld en een bijstandsuitkering aangevraagd. De aanvraag over de periode 19 maart tot 21 juni 2019 werd aanvankelijk afgewezen omdat eiser zijn verblijfplaats niet aannemelijk kon maken. Na nader onderzoek werd vanaf 6 mei 2019 alsnog bijstand toegekend.
De rechtbank beoordeelt of de afwijzing over de periode 19 maart tot en met 5 mei 2019 terecht is. Eiser verklaarde wisselend over zijn verblijfplaatsen en leverde geen controleerbare gegevens aan. Hoewel hij aangaf voornamelijk in zijn auto te hebben geslapen en bij vrienden of familie te verblijven, kon dit niet worden bevestigd door veldwerkers of begeleiders.
De rechtbank concludeert dat eiser niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht om zijn woon- en verblijfplaats aannemelijk te maken. Het verschil in bewijs tussen de periode voor en na 6 mei 2019 is voldoende gemotiveerd. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering van voorschotten te voorkomen faalt, omdat eiser deze niet aannemelijk heeft gemaakt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag over de periode 19 maart tot 5 mei 2019 wordt ongegrond verklaard.