ECLI:NL:RBROT:2020:4049

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 april 2020
Publicatiedatum
1 mei 2020
Zaaknummer
C/10/594244 / JE RK 20-913
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BWArt. 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige kinderen bij oma in netwerk

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de rechtbank om de machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen bij hun oma in het netwerk te verlengen tot het einde van de ondertoezichtstelling op 30 juli 2020. De kinderen verblijven al geruime tijd bij hun oma, omdat de moeder momenteel op Curaçao woont en nog geen stabiele en veilige opvoedsituatie voor hen heeft kunnen creëren.

De moeder en de oma stemden in met het verzoek tot verlenging. De moeder is bezig met het aanvragen van een uitkering op Curaçao en wil de kinderen graag weer bij haar laten wonen zodra zij een inkomen heeft. De kinderrechter heeft de betrokkenen telefonisch gehoord vanwege de COVID-19 maatregelen, met een beëdigde tolk Papiaments voor de moeder en oma.

De kinderrechter oordeelde dat verlenging van de machtiging noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. De kinderen hebben meerdere verhuizingen en schoolwisselingen achter de rug en het is belangrijk dat er duidelijkheid komt over hun toekomstperspectief. De machtiging tot uithuisplaatsing bij de oma in het netwerk wordt daarom verlengd tot 30 juli 2020, de einddatum van de ondertoezichtstelling.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen bij hun oma in het netwerk wordt verlengd tot 30 juli 2020.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
zaakgegevens: C/10/594244 / JE RK 20-913
datum uitspraak: 17 april 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,
betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2005 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2007 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ( [land] ),

[naam oma mz] ,

hierna te noemen de oma moederszijde (mz), wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 27 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 2 april 2020.
Op 17 april 2020 zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen. Omdat in verband met het COVID-19 virus de rechtbanken slechts zeer beperkt toegankelijk zijn, zijn betrokkenen in de gelegenheid gesteld om telefonisch gehoord te worden.
De kinderrechter heeft door middel van een conference call telefonisch gehoord:
- [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , die telefonisch apart zijn gehoord,
- de moeder,
- de oma mz,
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .
Aangezien de moeder en de oma mz de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Papiaments, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. M.A. Arrindell, tolk in de taal Papiaments. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.
Bij beschikking van 30 juli 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 30 juli 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] in het netwerk, te weten bij de oma mz, verleend tot 30 april 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in het netwerk, te weten bij oma mz, te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is belangrijk dat een stabiele opvoedsituatie voor de kinderen gewaarborgd wordt. De plannen van de moeder om de kinderen te laten verhuizen naar Curaçao zijn op dit moment te onduidelijk. Er moet nog veel geregeld worden op Curaçao. Het is van belang dat de kinderen voor het einde van de lopende ondertoezichtstelling, 30 juli 2020, duidelijkheid over hun toekomst krijgen.

De standpunten

De moeder is het eens met het verzoek. Het is op dit moment in het belang van de kinderen om bij oma mz te blijven. De moeder is bezig om op Curaçao een uitkering aan te vragen. Zodra de moeder een inkomen heeft, wil zij graag dat de kinderen weer bij haar komen wonen.
De oma mz is het eens met het verzoek. De kinderen hebben het goed en kunnen voor onbepaalde tijd bij haar blijven.

De beoordeling

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op
www.rechtspraak.nlis gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , de moeder, de oma mz en de zittingsvertegenwoordigster van de GI telefonisch gehoord. De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] zijn meerdere keren verhuisd en hebben op verschillende scholen gezeten. De moeder verblijft op dit moment op Curaçao. De moeder wil dat de kinderen naar Curaçao komen. De GI heeft hiervoor een aantal bodemeisen gesteld. Het is de moeder daar (nog) niet gelukt om een stabiele en veilige opvoedsituatie te creëren voor de kinderen. De kinderen verblijven daarom al lange tijd bij oma mz. Het gaat daar goed met de kinderen. De oma mz is in staat een stabiele opvoedsituatie te bieden. De kinderrechter is daarom van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in het netwerk, te weten bij oma mz, noodzakelijk is in het belang van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . Het is belangrijk dat er duidelijkheid komt over het toekomstperspectief van de kinderen. De komende periode dient daarom duidelijk te worden of de kinderen bij de moeder in Curaçao kunnen wonen en onder welke voorwaarden.
Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in het netwerk, te weten bij oma mz, tot 30 juli 2020;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M.I. van der Does, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld door de kinderrechter en ondertekend door de griffier op 28 april 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.