Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie
- de overgelegde producties
- het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2020.
2.De feiten
3.Het geschil in conventie en reconventie
- dat de man binnen twee weken na het te wijzen vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het maken van een actueel taxatierapport door een onafhankelijke NVM makelaar die gekozen zal worden dat ieder der partijen een onafhankelijke NVM makelaar benoemt die tezamen een derde onafhankelijke NVM makelaar benoemt die de actuele verkoopwaarde van de voormalig echtelijke woning zal vaststellen en welke vastgestelde actuele verkoopwaarde zal worden gebruikt als uitgangspunt bij het vaststellen van de overwaarde waar de vrouw recht op heeft;
-te bepalen dat ieder der partijen een onafhankelijke NVM makelaar benoemt die tezamen een derde onafhankelijke NVM makelaar benoemt die de verkoop van de voormalig echtelijke woning, vanaf het te koop zetten van de woning tot en met de datum van levering van de woning aan de koper, zal begeleiden, inclusief de bezichtigingen en de levering van de woning aan deze kopers via de notaris en te bepalen dat deze gekozen onafhankelijke NVM makelaar de vrouw en de man ieder afzonderlijk op de hoogte zal houden van de verkoop
4.De beoordeling
in conventie
rechtshandelingenom tot verkoop en levering van de woning aan een derde te komen (zoals het ondertekenen van de verkoopovereenkomst, artikel 3:300 lid 1 BW Pro). Dat deel van het door de vrouw gevorderde is dus eveneens toewijsbaar.
feitelijkehandeling. Hier kan het vonnis dus niet in de plaats treden van de medewerking van de man. De rechtbank zal wel, zoals gevorderd (onder vordering o), een dwangsom opleggen aan de man voor het geval hij niet (goed) meewerkt aan zijn plicht om de makelaar met gegadigden toe te laten tot de woning.
althans’ de man te veroordelen tot het betalen van een gebruiksvergoeding omdat de man wel gebruik kan maken van de woning maar de vrouw niet, terwijl zij mede-eigenaar is.
de gemeenschappelijke woning in Leiden.’ Het is de rechtbank onduidelijk wat de vrouw hiermee bedoelt. De gemeenschappelijke woning is gelegen in Rotterdam en niet in Leiden.