Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..Het verloop van de procedure
2..De beoordeling
3..De beslissing
:
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een vordering uit geldlening waarbij vader stelde dat de door hem aan zijn zoon betaalde bedragen terugbetaald moesten worden. De kernvraag was of deze betalingen een lening vormden met een terugbetalingsverplichting of dat zij uit een morele verplichting voortkwamen.
Vader bracht bewijsstukken en verklaringen in, waaronder van zijn echtgenote en een andere zoon, die de stelling van een terugbetalingsverplichting zouden ondersteunen. De zoon betwistte deze stellingen inhoudelijk en gemotiveerd. De verklaring van de andere zoon werd niet als getuigenverklaring onder ede aanvaard omdat hij niet ter zitting verscheen.
De verklaring van de echtgenote toonde aan dat er gesprekken waren over de toekomstige nalatenschap en dat vader zijn zoon vroeg een schulderkenning te tekenen, wat de zoon weigerde. Dit bevestigt eerder dat de zoon zich moreel verplicht voelde tot terugbetaling, maar dat er geen afdwingbare afspraak was. De rechtbank concludeerde dat vader niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht en wees de vordering af.
De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familierelatie en het morele karakter van het geschil. Het vonnis werd gewezen door rechter M. Aukema en ondertekend door rechter G.A.F.M. Wouters.
Uitkomst: De vordering van vader wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een afdwingbare terugbetalingsverplichting door zoon.