ECLI:NL:RBROT:2020:5576
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering en beëindiging opvang wegens ontbreken rechtmatig verblijf en medewerking terugkeer
Verzoeker, met de Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning die door de IND met terugwerkende kracht werd ingetrokken. Zijn bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en hij werd bevolen Nederland binnen vier weken te verlaten. Verzoeker vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en toegang tot maatschappelijke opvang, maar deze aanvragen werden afgewezen en beëindigd omdat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft.
De rechtbank oordeelt dat het afwachten van een beslissing op bezwaar niet gelijkstaat aan rechtmatig verblijf volgens artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verzoeker kan daarom niet worden gelijkgesteld aan een Nederlander en heeft geen recht op bijstand. Daarnaast voldoet verzoeker niet aan de voorwaarden van de pilot-LVV in Rotterdam, omdat hij niet actief meewerkt aan vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst, een veilig land.
De voorzieningenrechter concludeert dat de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam terecht zijn genomen en dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. De verzoeken worden afgewezen en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verzoeken om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van bijstand en beëindiging van opvang worden afgewezen.