ECLI:NL:RBROT:2020:5923
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding bij intrekking bijstandsuitkering
Eiseres ontving sinds 2012 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Na een anonieme tip onderzocht verweerder de rechtmatigheid van de uitkering en concludeerde dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, waardoor zij geen zelfstandig recht had op bijstand. Verweerder trok de uitkering per 1 juni 2019 in en wees een aanvraag voor bijzondere bijstand af.
Eiseres betwistte de gezamenlijke huishouding en stelde dat er geen sprake was van hoofdverblijf in dezelfde woning of wederzijdse zorg. De rechtbank oordeelde dat het aan verweerder was om aannemelijk te maken dat de voorwaarden voor intrekking waren vervuld. Uit verklaringen van eiseres, waarnemingen, bankgegevens en andere feiten bleek dat de betrokkene sinds december 2018 feitelijk in de woning verbleef en zorg voor elkaar werd gedragen.
De rechtbank verwierp het verweer van eiseres dat er slechts eenzijdige zorg zou zijn en concludeerde dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding volgens de Participatiewet was voldaan. Ook de bezwaren tegen het zorgvuldigheids- en evenredigheidsbeginsel werden niet concreet onderbouwd en faalden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt ongegrond verklaard.