ECLI:NL:CRVB:2016:3672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.H.M. van de Ven
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging bijstand wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant en appellante ontvingen beiden bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en woonden sinds 2010 op hetzelfde adres. De gemeente Utrecht voerde een onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij onder meer een huisbezoek plaatsvond. Op basis van dit onderzoek trok het college de bijstand in en vorderde gemaakte kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna zij in hoger beroep gingen. De centrale vraag was of sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij niet alleen het samenwonen, maar ook wederzijdse zorg centraal stond. Hoewel appellanten stelden dat er geen financiële verstrengeling was en dat de zorg voor het kleinkind niet als wederzijdse zorg kon gelden, oordeelde de Raad dat andere feiten en omstandigheden voldoende wederzijdse zorg aantonen.
De Raad wees op de verzorging van het kleinkind door appellante, het gebruik van gemeenschappelijke ruimtes en spullen, en de ondersteuning die appellante aan appellant bood. Ook het eerdere huisbezoek in 2010 leidde niet tot een andere beoordeling, omdat de situatie sindsdien was gewijzigd en appellanten geen melding hadden gemaakt van de gewijzigde woonsituatie.
De Raad concludeerde dat het college niet onzorgvuldig had gehandeld en dat de beëindiging van de bijstand per 22 januari 2014 terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de bijstand terecht is beëindigd wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg.