ECLI:NL:RBROT:2020:6751

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
ROT 20/2006, ROT 20/2007 en ROT 20/2434
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 7:1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig besluit en afwijzing voorlopige voorziening bij bijstandsaanvragen

Eiseres diende twee digitale aanvragen om algemene bijstand in, op 18 februari 2020 en 25 maart 2020. Verweerder nam tijdig een besluit op de eerste aanvraag en maakte dit per e-mail bekend. Eiseres stelde daarop beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het besluit reeds bekend was gemaakt.

Voor de tweede aanvraag stelde eiseres eveneens beroep in wegens het niet tijdig nemen van een besluit en verzocht zij om een voorlopige voorziening. Verweerder nam alsnog een besluit en maakte dit bekend per e-mail. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bestendige e-mailpraktijk, waardoor de besluiten rechtsgeldig bekend zijn gemaakt. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling en het ontbreken van belang bij verdere beoordeling.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, mede omdat artikel 6:20 Awb Pro niet van toepassing is op voorlopige voorzieningen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen en kan worden aangevochten door verzet binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 20/2006, ROT 20/2007 en ROT 20/2434
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht alsmede uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:83, derde lid, van die wet in de zaken tussen

P. Böhmová, te [Plaats], eiseres,

gemachtigde: mr. I. Car,
en

het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard, verweerder,

gemachtigde: M.J. de Jonge.

Procesverloop

Op 15 april 2020 heeft eiseres beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om bijstand van 25 maart 2020. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer ROT 20/2006.
Op 15 april 2020 heeft eiseres voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer ROT 20/2007.
Op 1 mei 2020 heeft eiseres een beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om bijstand van 18 februari 2020. Deze zaak is geregistreerd onder zaaknummer ROT 20/2434.

Overwegingen

1. De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb eveneens uitspraak zonder zitting.
2. Eiseres heeft op 18 februari 2020 op digitale wijze een aanvraag ingediend om algemene bijstand. Bij besluit van 25 februari 2020 (besluit 1) heeft verweerder op de aanvraag beslist. Verweerder heeft besluit 1 per e-mailbericht verzonden op 26 februari 2020 aan het door eiseres bij haar aanvraag gebruikte e-mailadres. Op 15 april 2020 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 18 februari 2020. Vervolgens heeft eiseres op 1 mei 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag (ROT 20/2434).
3. Eiseres heeft op 25 maart 2020 opnieuw op digitale wijze een aanvraag ingediend om algemene bijstand. Verweerder heeft eiseres bij brieven van 7 en 17 april 2020 om nadere gegevens verzocht waarop eiseres per e-mailbericht heeft gereageerd. Op 15 april 2020 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 25 maart 2020 (ROT 20/2006) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (ROT 20/2007). Verweerder heeft bij besluit van 28 april 2020 (besluit 2) bijstand aan eiseres toegekend met ingang van 18 februari 2020. Daarbij heeft verweerder de aanvraag afgewezen voor zover die ziet op de periode van 23 december 2019 tot en met
17 februari 2020. Verweerder heeft besluit 2 per e-mailbericht verzonden op 29 april 2020 aan het door eiseres bij haar aanvraag gebruikte e-mailadres.
4. Gelet op de omstandigheid dat besluiten 1 en 2 door verweerder zijn verzonden naar het e-mailadres dat eiseres heeft gebruikt voor het doen van haar aanvragen en eiseres ook per e-mail heeft gereageerd op de verzoeken van verweerder van 7 en 17 april 2020 is de rechtbank van oordeel dat gesproken kan worden van een bestendige e-mailpraktijk tussen eiseres en verweerder en dat verweerder de besluiten dus op de juiste wijze bekend heeft gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2744).
5. Indien een besluit is genomen en bekendgemaakt is het niet meer mogelijk om op grond van de artikel 6:12, tweede lid, van de Awb beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van dat besluit (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van
19 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:924). Dit betekent dat het beroep tegen het niet tijdig besluiten op de aanvraag van 18 februari 2020 (ROT 20/2434) niet-ontvankelijk is. Eiseres heeft immers op 1 mei 2020 beroep ingesteld, terwijl het besluit op haar aanvraag al vóór die datum bekend was gemaakt. Artikel 6:20, derde lid, van de Awb is niet van toepassing, omdat geen sprake is van een “alsnog genomen besluit”. Het beroep heeft dus niet mede betrekking op het reële besluit van 25 februari 2020.
6. Nadat eiseres op 15 april 2020 beroep had ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag van 25 maart 2020 heeft verweerder bij besluit 2 alsnog op deze aanvraag beslist. In dit geval is artikel 6:20, derde lid, van de Awb dus wel van toepassing. Echter, in beginsel geldt op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, dat tegen een besluit, alvorens beroep wordt ingesteld, eerst bezwaar moet worden gemaakt. Het beroep tegen besluit 2 wordt daarom met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb naar verweerder verwezen om als bezwaar te worden behandeld. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 25 maart 2020 wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu niet gebleken is dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling hiervan.
7. Omdat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 25 maart 2020 niet-ontvankelijk is, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening dat is ingediend hangende dit beroep, afwijzen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat artikel 6:20 van Pro de Awb niet van overeenkomstige toepassing is in een voorlopige voorziening, want die bepaling is niet genoemd in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is gedaan op 30 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De rechter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.