De zaak betreft het intrekkingsbesluit van De Nederlandsche Bank (DNB) van 20 februari 2018, waarbij de vergunning van een trustkantoor werd ingetrokken en de registratie van een vrijgestelde betaaldienstverlener werd doorgehaald. Dit volgde op een hertoetsing van de betrouwbaarheid van de enig bestuurder, die werd verdacht van diverse strafbare feiten en waarbij informatie van het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst werd gebruikt.
De rechtbank oordeelt dat DNB bevoegd was de vergunning in te trekken op grond van artikel 6, aanhef en onder e, van de Wet toezicht trustkantoren (Wtt), omdat de houder in gebreke bleef aan verplichtingen te voldoen en structureel herstel niet voorstelbaar was. De informatieverstrekking door het OM en de Belastingdienst aan DNB was rechtmatig en noodzakelijk voor het toezicht. De verdenkingen hoefden niet onherroepelijk vast te staan om tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel te komen.
Ook de doorhaling van de registratie van de vrijgestelde betaaldienstverlener werd terecht geacht, omdat de vrijstelling van rechtswege verviel door het negatieve betrouwbaarheidsoordeel over de beleidsbepaler. Het bezwaar daartegen was niet-ontvankelijk. De aanwijzing om de werkzaamheden te beëindigen was eveneens terecht gegeven, ook al stond het intrekkingsbesluit nog niet onherroepelijk vast.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst de verzoeken af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.