Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 11 december 2019, met producties;
- de akte verzoek tot aanhouding wegens litispendentie tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 11 Rv Pro, met producties;
- de conclusie van antwoord in het incident houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 11 Rv Pro tevens bezwaar tegen aanhoudingsverzoek.
2..Het geschil in het incident
3..De beoordeling in het incident
nietheeft gesloten in verband met zijn bedrijfs‑ of beroepsmatige activiteit.
nietdat de consument zich op een specifieke manier gedraagt in het kader van een overeenkomst die hij heeft gesloten voor een gebruik dat niet bedrijfs‑ of beroepsmatig is. Aan factoren zoals de waarde van de transacties die op grond van overeenkomsten zoals CFD’s worden verricht, de omvang van de aan de sluiting van deze overeenkomsten verbonden risico’s op financiële verliezen, de eventuele kennis of deskundigheid van een persoon op het gebied van financiële instrumenten, of zijn actieve gedrag bij dergelijke transacties, komt derhalve geen relevantie toe (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Petruchová, C‑208/18, EU:C:2019:825, punt 59). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de consument een groot aantal transacties heeft verricht in een relatief kort tijdsbestek of dat hij grote bedragen in die transacties heeft geïnvesteerd. (HvJEU 2 april 2020, C-500/18, ECLI:EU:C:2020:264 r.o. 47 - 57 alsmede de aldaar aangehaalde rechtspraak.)
nietafhankelijk van het antwoord op de vraag of die persoon al dan niet een „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1 punt 12 van richtlijn 2004/39 is. Of het begrip „niet-professionele belegger” in de zin van artikel 4, lid 1, punt 12, van richtlijn 2004/39 moet worden uitgelegd aan de hand van dezelfde criteria, als die welke voor de uitlegging van het begrip „consument” van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 gelden, is dus irrelevant.
4..De beslissing
4 november 2020voor conclusie van antwoord.