Verzoeker heeft een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, waarbij ING Bank N.V. als schuldeiser met drie vorderingen een weigering tot instemming heeft uitgesproken. De regeling voorziet in een betaling van 9,42% aan de preferente schuldeiser en 4,71% aan de concurrente schuldeisers, gebaseerd op de afloscapaciteit van verzoeker die sinds 2014 voor 35-80% arbeidsongeschikt is verklaard.
De rechtbank heeft vastgesteld dat negen van de tien schuldeisers met het voorstel instemmen en dat het voorstel door een onafhankelijke partij, de Kredietbank Rotterdam, is getoetst en goed gedocumenteerd is. Verzoeker beschikt niet over betaald werk en zal naar verwachting geen hoger inkomen kunnen verwerven dan zijn huidige WIA-uitkering. Hoewel ING haar weigering baseert op de onstabiele situatie van verzoeker vanwege een alcoholprobleem en verblijf in nachtopvang, is gebleken dat de verslaving onder controle is en verzoeker inmiddels in een semi-zelfstandige woning woont.
De rechtbank overweegt dat het dwangakkoord een gunstiger resultaat oplevert voor schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling, die hogere kosten met zich meebrengt en uitkeringen pas aan het einde van de regeling mogelijk maakt. Daarom weegt het belang van verzoeker en de instemmende schuldeisers zwaarder dan dat van ING. Het verzoek wordt toegewezen, ING wordt veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.