ECLI:NL:RBROT:2020:9143

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 september 2020
Publicatiedatum
13 oktober 2020
Zaaknummer
C/10/603428 / FA RK 20-6706
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 WzdArt. 2 lid 1 Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en VeiligheidArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling op grond van de Wet zorg en dwang

Het CIZ verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van een cliënt op grond van artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd). De cliënt verblijft in een verpleeghuis en wordt vertegenwoordigd door een advocaat. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de cliënt dat hij niet naar huis wilde en graag in het verpleeghuis wilde blijven.

De verpleegkundig-specialist gaf aan dat er de afgelopen dagen geen tekenen van verzet waren geweest, hoewel dit altijd kan veranderen. Op basis van de medische verklaring en de verklaring van de verpleegkundig-specialist concludeerde de rechtbank dat de cliënt vrijwillig verblijft en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die wijzen op verzet tegen het verblijf.

De rechtbank oordeelde dat niet voldaan was aan de voorwaarden voor verplichte zorg en wees het verzoek van het CIZ daarom af. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open. De uitspraak werd mondeling gegeven op 4 september 2020 en schriftelijk uitgewerkt op 10 september 2020.

Uitkomst: Het verzoek tot machtiging voortzetting inbewaringstelling wordt afgewezen omdat cliënt vrijwillig verblijft en geen sprake is van verzet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team familie
Zaak-/rekestnummer: C/10/603428 / FA RK 20-6706
Schriftelijke uitwerking van de mondelinge beslissing van 4 september 2020 betreffende een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (hierna: Wzd)
op verzoek van:
het CIZ,
met betrekking tot:
[naam cliënt],
geboren op [geboortedatum cliënt] , [geboorteplaats cliënt]
hierna: cliënt,
wonende aan het [adres cliënt] , [woonplaats cliënt] ,
thans verblijvende in Careyn, verpleeghuis Grootenhoek te Hellevoetsluis,
advocaat mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift van het CIZ, ingekomen ter griffie op 2 september 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
  • de beschikking van de burgemeester van 1 september 2020;
  • de medische verklaring, opgesteld en ondertekend door [naam 1] , arts, van
1 september 2020;
- het indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van
2 september 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 4 september 2020. Bij die gelegenheid zijn (overeenkomstig artikel 2 lid 1 van Pro de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid) via beeld- en geluidverbinding gehoord:
  • cliënt met zijn hiervoor genoemde advocaat;
  • [naam 2] , verpleegkundig-specialist en [naam 3] , verpleegkundige, beiden verbonden aan Careyn.

2..Beoordeling

Tijdens de mondelinge behandeling geeft betrokkene aan dat hij niet naar huis wilt en graag in het verpleeghuis blijft. De verpleegkundig-specialist geeft aan dat er de afgelopen dagen geen tekenen van verzet zijn geweest op de afdeling, maar dat dit altijd kan veranderen. Om die reden verzoekt de verpleegkundig specialist het verzoek toe te wijzen. Anders dan vermeld in de medische verklaring verzet betrokkene zich niet (langer) tegen het verblijf in de verpleeginrichting. Natuurlijk bestaat in zijn algemeenheid de mogelijkheid dat dit op termijn verandert maar er zijn momenteel ten aanzien van betrokkene geen feiten en/of omstandigheden die hierop wijzen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat betrokkene vrijwillig wil verblijven. Er is niet voldaan aan de voorwaarden voor verplichte zorg. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek afgewezen.

3..Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 4 september 2020 mondeling gegeven door mr. H.C.A. de Groot, rechter, in tegenwoordigheid van M. Streefland, griffier en op 10 september 2020 schriftelijk uitgewerkt en getekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.