Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1..Onderzoek op de terechtzitting
2..Tenlastelegging
feit 1: mensenhandel;
3..Eis officier van justitie
- bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;
- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan een ambulante behandeling, verblijven bij een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer, meewerken aan schuldhulpverlening en een inspanningsverplichting tot het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding.
4..Waardering van het bewijs
gang bangsen anale seks te ondergaan. Hierop belde [naam slachtoffer] haar zus, om dit geldbedrag bij haar te lenen. Vlak hierna is verdachte aangehouden en kort daarop is hij weer vrijgelaten.
1 maart 2020. De verklaring van de verdachte hiervoor, namelijk dat hij dit geld heeft gespaard van zijn uitkering, acht de rechtbank niet aannemelijk, in het licht van de overige inhoud van het dossier.
Andere feitelijkheden
Misbruik van een kwetsbare positie
Afpersing, fraude, het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over het slachtoffer heeft
endoor misbruik
5..Strafbaarheid feiten
6..Strafbaarheid verdachte
7..Motivering straf
8..Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel
9..Toepasselijke wettelijke voorschriften
10..Bijlagen
11..Beslissing
gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;
een gedeelte,
groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;
€ 7.500,-(zegge: vijfenzeventighonderd euro), bestaande uit € 5.000,- aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen
€ 7.500,-(hoofdsom,
zegge: vijfenzeventighonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door
72 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
R. Brand, voorzitter,
W.J.M. Diekmanen
C. Vogtschmidt, rechters,
C.J. Voogel-van Buuren, griffier,