AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit weigering voortzetting Wajong-uitkering bij verhuizing naar Bonaire
Eiser heeft de wens geuit zijn Wajong-uitkering mee te nemen bij verhuizing naar Bonaire. Het UWV heeft dit geweigerd omdat eiser dan niet meer in Nederland woont, wat volgens de wet een uitsluitingsgrond is. Verweerder stelde dat het schrijven van 3 december 2019 geen besluit was, maar een informatieve mededeling, en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk.
De rechtbank oordeelt dat het schrijven wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb, omdat het rechtsgevolgen heeft. De hardheidsclausule uit het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland kan toepassing vinden bij zwaarwegende redenen om buiten Nederland te wonen, maar verweerder heeft deze niet toegepast omdat de ouders van eiser niet genoodzaakt zijn te verhuizen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en beveelt verweerder een nieuwe beslissing te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1626
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2020 als bedoeld in artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[naam eiser] , te [plaats] , eiser,
gemachtigde: mr. L.A.M. van der Geld,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 29 november 2019 en 2 december 2019 aan verweerder doorgegeven dat hij wil verhuizen naar Bonaire en hij zijn uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) wil meenemen.
Bij schrijven van 3 december 2019 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het niet mogelijk is om zijn Wajong-uitkering mee te nemen, omdat eiser dan niet meer woonachtig is in Nederland.
Bij brief van 16 december 2019, ontvangen door verweerder op 17 december 2019, heeft eiser tegen dit schrijven bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser bij besluit van 13 februari 2020 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Verweerder heeft aan het schrijven van 3 december 2019 ten grondslag gelegd dat een Wajong uitkering in principe niet kan worden geëxporteerd. Verweerder heeft vermeld dat een aantal uitzonderingen mogelijk zijn, indien (bijvoorbeeld) degene van wie eiser voor zijn verzorging afhankelijk is zich buiten Nederland vestigt én diegene genoodzaakt is om zich buiten Nederland te vestigen. Verweerder heeft opgemerkt dat eiser niet in aanmerking komt voor de genoemde uitzonderingen. Eiser is weliswaar afhankelijk van zijn ouders voor zijn verzorging, maar zijn ouders zijn niet genoodzaakt om zich buiten Nederland te vestigen. Het betreft een eigen keuze van de ouders en het hebben van een eigen bedrijf van de ouders op Bonaire is geen noodzaak om zich daar te vestigen, aldus verweerder.
2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het schrijven van 3 december 2019 geen besluit betreft in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het betreft volgens verweerder een mededeling van informatieve aard.
3.1.
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
3.2.
Op grond van de Wajong is het niet in Nederland wonen een uitsluitingsgrond voor het recht op een uitkering, maar verweerder kan – kort gezegd - de betreffende wettelijke bepalingen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien sprake zal zijn van een onbillijkheid van overwegende aard.
3.3.
Op grond van artikel 2 vanPro het Besluit Beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (Staatscourant 2003, 84) (het Besluit) is van een onbillijkheid van overwegende aard sprake indien de jonggehandicapte naar het oordeel van verweerder zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het eindigen van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen om buiten Nederland te gaan wonen worden in ieder geval aangemerkt:
a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;
b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;
c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.
3.4.
In de toelichting op het Besluit is aangegeven dat de hardheidsclausule van artikel 2 steedsPro aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook andere situaties dan de drie hiervoor genoemde kunnen grond opleveren voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen worden beoordeeld of sprake is van zwaarwegende redenen voor de jonggehandicapte om buiten Nederland te gaan wonen en of het eindigen van de uitkering voor hem een aanmerkelijk nadeel zal betekenen.
3.5.
Nu verweerder in het schrijven van 3 december 2019 heeft gesteld dat de ouders van eiser niet genoodzaakt zijn zich buiten Nederland te vestigen en de vestiging buiten Nederland een eigen keuze betreft, weigert verweerder feitelijk daarmee toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Deze weigering is naar het oordeel van de rechtbank op rechtsgevolg gericht. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1400). Het schrijven van 3 december 2019 is dan ook, anders dan verweerder stelt, een voor bezwaar vatbaar besluit in de zin van artikel 1:3 vanPro de Awb. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Het beroep is daarom kennelijk gegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
5. De rechtbank ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt.
6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van €48,- vergoedt.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 525,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 oktober 2020.
De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.