ECLI:NL:RBROT:2021:11322
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering na verblijf in het buitenland langer dan zes maanden
Eiser ontving een WW-uitkering die werd toegekend per 13 juni 2019. Verweerder stopte de uitkering per 1 oktober 2019 vanwege het niet indienen van een inkomstenopgave en het verblijf van eiser in het buitenland van 21 september 2019 tot 16 juni 2020. Eiser verzocht om voortzetting van de uitkering, maar verweerder stelde dat de maximumduur van de WW-uitkering was bereikt op 27 juli 2020 en dat de uitkering daarom werd beëindigd.
Eiser voerde aan dat hij vanwege een bipolaire stoornis in een manische periode naar Portugal was vertrokken en daardoor niet tijdig kon reageren. Hij stelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en dat hij onevenredig hard werd getroffen. De rechtbank overwoog dat de gronden met betrekking tot de WIA buiten beschouwing blijven omdat die niet op het bestreden besluit zien.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom de uitkering was beëindigd, namelijk vanwege het verblijf in het buitenland en het niet invullen van de inkomstenopgave. De wettelijke herlevingstermijn van zes maanden was overschreden, waardoor het recht op uitkering niet kon herleven. Het beroep op redelijkheid en de ziekte van eiser konden de wettelijke termijn niet verlengen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter N. Boonstra op 24 november 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiser langer dan zes maanden in het buitenland verbleef.