ECLI:NL:RBROT:2021:11388

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 oktober 2021
Publicatiedatum
22 november 2021
Zaaknummer
C/10/623087 / JE RK 21-2078
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen

De rechtbank Rotterdam behandelde op 19 oktober 2021 het verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van drie minderjarige kinderen, geboren in 2006 en 2012, die verblijven in een netwerkpleeggezin.

De kinderen zijn in maart 2020 uit huis geplaatst vanwege ernstige verwaarlozing en een instabiele opvoedingssituatie bij de ouders. Sindsdien ontwikkelen zij zich positief in het pleeggezin en krijgen zij individuele hulpverlening om trauma’s te verwerken. De moeder heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en kampt met psychische problematiek, waardoor zij niet in staat is een stabiele opvoedsituatie te bieden. Contact met de kinderen is beperkt en begeleid.

De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn vervuld en dat voortzetting in het pleeggezin noodzakelijk is voor het welzijn van de kinderen. De beschikking wordt verlengd tot 26 oktober 2022 en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens zal de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen naar het toekomstperspectief van de kinderen.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de drie minderjarige kinderen worden verlengd tot 26 oktober 2022.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaakgegevens: C/10/623087 / JE RK 21-2078
datum uitspraak: 19 oktober 2021
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing
in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2006 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2012 te [geboortedatum] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] ,

[naam pleegmoeder] ,

hierna te noemen de pleegmoeder, wonende te [woonplaats] ,

[naam pleegvader] ,

hierna te noemen de pleegvader, wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Het verloopt van de procedure blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 28 juli 2021, ingekomen bij de griffie op 29 juli 2021.
Op 19 oktober 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- de moeder,
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] .
Opgeroepen en niet verschenen zijn:
- de vader,
- de pleegouders.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken, maar hebben van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven in een netwerkpleeggezin.
Bij beschikking van 26 januari 2021 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 26 oktober 2021. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 26 oktober 2021.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De kinderen verblijven al lange tijd bij de pleegouders. De GI heeft sinds mei 2021 geen contact meer gehad met de moeder en is er verheugd over dat de moeder op de zitting aanwezig is. Er is geen zicht op de situatie van de moeder. De kinderen ontwikkelen zich positief in het pleeggezin. Zij ervaren daar rust en stabiliteit. [voornaam minderjarige 3] mist de moeder wel heel erg en heeft behoefte aan contact. Het contact met de vader is teruggebracht naar één keer per twee weken bellen, omdat het contact onrust gaf. De kinderen krijgen EMDR-therapie om de trauma’s uit het verleden te kunnen verwerken. De GI heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht om een onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

Het standpunt van de moeder

De moeder is het eens met het verzoek. Op dit moment heeft de moeder geen vaste woon- of verblijfplaats. Zij is druk bezig met het zoeken van eigen woonruimte. Ook heeft de moeder behandeling voor haar psychische problematiek. Het liefst zou de moeder de kinderen bij zich willen hebben, maar zij beseft dat dit niet mogelijk is. De moeder ziet dat de kinderen op een goede plek verblijven. De moeder zou wel contact met de kinderen willen, maar volgt hierin de wens van de kinderen.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Ook is de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).
Op dit moment worden [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] nog ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De kinderen zijn in maart 2020 uit huis geplaatst, omdat zij in een instabiele opvoedingsomgeving opgroeiden waarin zij ernstig werden verwaarloosd en het de ouders niet lukte om de kinderen te bieden wat zij nodig hadden. Sindsdien verblijven de kinderen in een netwerkpleeggezin en ontwikkelen zij zich positief. De kinderen hebben ieder hun eigen hulpverleningstraject om de trauma’s uit het verleden te verwerken. De pleegouders krijgen ook extra ondersteuning. De moeder is niet in staat om de kinderen een stabiele opvoedsituatie te bieden. Zij heeft momenteel geen vaste woon- of verblijfplaats en haar psychische problematiek staat op de voorgrond. Ook is de moeder lange tijd onbereikbaar geweest voor de GI en heeft zij geen contact met de kinderen.
Positief is dat de moeder inziet dat de kinderen stabiliteit en zekerheid nodig hebben en dit in het pleeggezin krijgen. Gelet op de positieve ontwikkeling van de kinderen in het pleeggezin, is de kinderrechter van oordeel dat deze plaatsing voortgezet dient te worden. Om toezicht te houden op de ingezette hulpverlening en het contact tussen de ouders en de kinderen te begeleiden, is de betrokkenheid van de jeugdbeschermer nodig. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van een jaar. Het is belangrijk dat gekeken wordt naar een vorm van contactherstel tussen de moeder en de kinderen, met name voor [voornaam minderjarige 3] is dit van belang. De komende periode zal de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek doen naar het toekomstperspectief van de kinderen.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] tot 26 oktober 2022;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 26 oktober 2022;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2021 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 4 november 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.