Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2021:11463

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 november 2021
Publicatiedatum
24 november 2021
Zaaknummer
C/10/619530 / JE RK 21-1490
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot beëindiging gezamenlijk ouderlijk gezag na jarenlange strijd

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om het gezamenlijk ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen te beëindigen vanwege een jarenlange strijd tussen de ouders die de ontwikkeling van de kinderen ernstig zou bedreigen. De ouders oefenen momenteel gezamenlijk het gezag uit, maar de Raad stelde dat zij niet in staat zijn de zorg en opvoeding adequaat te dragen.

Tijdens de mondelinge behandeling op 4 oktober 2021 voerden beide ouders gemotiveerd verweer. De rechtbank overwoog dat het gezag kan worden beëindigd indien de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de zorg en opvoeding te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De echtscheiding dateert uit 2016 en sindsdien is er een voortdurende strijd tussen de ouders, wat ook de kinderen heeft geraakt.

De rechtbank concludeerde dat het beëindigen van het gezag niet het meest in het belang van de kinderen is. De ouders hebben intensieve therapeutische ondersteuning nodig en moeten intrinsiek gemotiveerd zijn om tot verandering te komen. De strijd richt zich vooral op de zorgregeling, waarbij het gezamenlijk gezag niet problematisch is. Daarom werd het verzoek van de Raad afgewezen.

De proceskosten worden ieder door de eigen partij gedragen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/619530 / JE RK 21-1490
Beschikking van 22 november 2021 betreffende het ouderlijk gezag
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, hierna de raad,
zetelende te Eindhoven,
gemachtigden [naam 1] en [naam 2].
in deze zaak zijn de belanghebbenden:
[naam moeder],hierna de moeder,
wonende te [woonplaats moeder],
advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem,
[naam vader],hierna de vader,
wonende te [woonplaats vader],
advocaat mr. A.J.C. van Bemmel te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling jeugdbescherming West Dordrecht, hierna de GI,gevestigd te Dordrecht,
postbus 1045, 3300 BA Dordrecht,
gemachtigde: [naam 3].

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift met bijlage van de raad, ingekomen op 31 mei 2021;
  • het rapport van de raad gedateerd 26 februari 2021, met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2021. Daarbij zijn verschenen:
  • de raad, vertegenwoordigd door de gemachtigden;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de GI, vertegenwoordigd door haar gemachtigde.
1.3.
Op 4 oktober 2021 heeft de rechtbank tevens behandeld de zaak met het
kenmerk 576047. In die zaak wordt vandaag ook een beschikking gegeven. Beide zaken zijn tegelijkertijd behandeld. Hoewel beide zaken inhoudelijk en daarmee wat betreft de motivering voor de beslissing samenhangen doet de rechtbank omwille van de leesbaarheid afzonderlijk uitspraak.

2..De vaststaande feiten

2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:
  • [naam kind 1], (hierna [naam kind 1]) geboren op [geboortedatum kind 1] 2008 te [geboorteplaats kind 1] en de tweeling:
  • [naam kind 2], geboren op [geboortedatum kind 2] 2010 te [geboorteplaats kind 2] en
  • [naam kind 3]; geboren op [geboortedatum kind 3] 2010 te [geboorteplaats kind 3].
2.2.
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3..De beoordeling

Beëindiging gezag
3.1.
De raad verzoekt te bepalen dat het gezag van de beide ouders over de drie minderjarigen wordt beëindigd. De raad stelt, onder meer, dat de minderjarigen op dit moment zodanig opgroeien dat zij ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling. Ook zijn de ouders niet in staat de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van de minderjarigen te dragen. De raad heeft verzocht Jeugdbescherming West Dordrecht te benoemen als voogd.
3.2.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt dat het verzoek van de raad moet worden afgewezen
3.3.
Ook de man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De man zou, onder meer, willen meewerken aan systeemtherapie.
3.4.
De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaarbare termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.5.
De echtscheiding tussen partijen is sinds 2016 definitief en sindsdien voeren partijen een jarenlange strijd tegen elkaar. De minderjarigen hebben hiervan het nodige meegekregen. De drie nu meerderjarige kinderen lijken de vrouw onvoorwaardelijk te steunen. Een jarenlange ondertoezichtstelling heeft de strijd niet doen ophouden. Het komt de rechtbank voor dat steeds meer mensen/instanties zich gedwongen voelen een standpunt in te nemen. Het relatief kleine dorp waar zowel de man als de vrouw wonen lijkt zelfs verdeeld in twee kampen. De rechtbank heeft, nadat zij in beide zaken kennis had genomen van alle (nadere) verzoeken en het rapport van de raad, zichzelf voorafgaand aan de mondelinge behandeling de vraag gesteld of het geven van een oordeel en beslissing op de gedane verzoeken ertoe zou leiden dat een situatie zou ontstaan die het meest in het belang is van de minderjarigen. Tenslotte is dat belang leidend.
3.6.
De rechtbank vat het verzoek van de raad op als een voor de raad laatste redmiddel om de belangen van de minderjarigen zo goed mogelijk te dienen.
3.7.
Het staat voor de rechtbank vast dat een einde van de strijd het meest in het belang is van de minderjarigen. Het is een feit van algemene bekendheid, zo staat ook in het raadsrapport, dat strijd tussen ouders met als gevolg een loyaliteitsconflict en mogelijk ouderverstoting door de minderjarigen, een negatief effect heeft op de identiteitsontwikkeling van minderjarigen. Het zou voor de minderjarigen en mogelijk alle kinderen van partijen, al helpend zijn als zij van beide ouders zouden vernemen dat zij de onderlinge strijd staken en de blik richten op de toekomst in plaats van op het verleden. Hiermee bevrijden ouders hun kinderen en zichzelf van een enorme last. De rechtbank heeft ouders dit aan de hand van een gedeelte van hoofdstuk 12 uit Het geschenk van Edith Eger voorgehouden.
De man bleek in staat hier constructief op te reageren. De vrouw is dat niet gelukt.
Beide ouders blijven daardoor gevangen in de onderlinge strijd. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat ouders intensieve therapeutische ondersteuning nodig hebben. Dat lijkt op dit moment het enige dat kan helpen om tot een oplossing van hun onderlinge problemen te komen en tot een positieve verandering voor de minderjarigen (én de drie andere kinderen) kan leiden. Voorwaarde voor een therapeutische interventie om nu wel kans van slagen te hebben is intrinsieke motivatie van beide ouders. Die intrinsieke motivatie ontstaat hoogstwaarschijnlijk niet door het beëindigen van het gezag.
3.8.
In haar oordeel betrekt de rechtbank ook het volgende. De rechtbank heeft in de zaak met kenmerk 576047 het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te worden belast, afgewezen. Tijdens de mondelinge behandeling op 4 oktober 2021 hebben beide partijen naar voren gebracht dat zij eigenlijk geen problemen met elkaar ondervinden als het gaat om kwesties die met het gezamenlijk gezag over de minderjarigen te maken hebben. De strijd richt zich met name op de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen. Dit is het eigenlijke geschilpunt tussen partijen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de beide ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging van de minderjarigen te dragen. Ook het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij hem te laten zijn, is in de zaak met kenmerk 576047 afgewezen. De rechtbank heeft tenslotte in genoemde zaak ten aanzien van [naam kind 1] de bestaande zorgregeling substantieel gewijzigd en de zorgregeling ten aanzien van de jongste twee minderjarigen in stand gelaten.
3.9.
Al het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd hebbend, zal de rechtbank het verzoek van de raad afwijzen.
3.10.
Proceskosten
3.10.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4..De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst het verzoek van de raad af;
4.2.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Deze beschikking is gegeven door mr. H.C.A. de Groot, voorzitter, mr. J.J. Klomp en
mr. V.L.M. Thissen, rechters tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.J. Daams op 22 november 2021.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.