De rechtbank Rotterdam behandelde op 30 augustus 2021 het verzoek van een moeder om vervangende toestemming te verkrijgen voor de verhuizing van haar minderjarige kind naar Afferden. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. De minderjarige woont momenteel bij de andere ouder en heeft daar haar hoofdverblijf, school en sociale contacten.
De verzoekende moeder stelde dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden sinds de eerdere afwijzing van een soortgelijk verzoek in juni 2020. Zij verwees naar een heroverweging van de gecertificeerde instelling (GI) en rapportages van een psycholoog die zouden wijzen op het belang van verhuizing. De rechtbank constateerde echter dat de GI na beëindiging van de ondertoezichtstelling niet meer betrokken was en geen recente informatie kon verstrekken. De psychologische rapportages gaven aan dat de minderjarige tevreden is met haar situatie en geen voorkeur heeft voor verhuizing.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was onderbouwd dat er sprake was van gewijzigde omstandigheden die een afwijking van de eerdere beschikking rechtvaardigen. Daarnaast is de minderjarige duidelijk geaard in haar huidige woonplaats. Daarom werd het verzoek tot vervangende toestemming tot verhuizing afgewezen. Ook het verzoek van de andere ouder tot wijziging van het hoofdverblijf werd afgewezen. De rechtbank gaf de ouders de aanbeveling om in het belang van het kind te zoeken naar een situatie waarin het kind en beide ouders gelukkig kunnen zijn.
De proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag, dat door een advocaat moet worden ingesteld binnen drie maanden na dagtekening.