ECLI:NL:RBROT:2021:11747
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijk verkregen voordeel hennep
De rechtbank Rotterdam behandelde op 26 november 2021 een ontnemingsvordering ingevolge artikel 36e Sr tegen de veroordeelde, die eerder veroordeeld was voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3, onder C, van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €9.000,-, gebaseerd op een rapportage uit 2018.
Feitelijk stond vast dat op 19 mei 2016 108 kilogram henneptoppen werden aangetroffen in een pand te Vlaardingen. Camerabeelden toonden een onbekende man die dozen uit het pand in een bedrijfsauto plaatste, waarvan werd aangenomen dat deze hennep bevatten en verkocht waren door de veroordeelde. De rechtbank oordeelde echter dat op basis van het dossier en de bewijsmiddelen niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat de dozen hennep bevatten of dat er sprake was van verkoop aan de onbekende man.
Daarmee was ook niet aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen. De rechtbank wees daarom de ontnemingsvordering af. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer, bestaande uit voorzitter Damen en rechters Milders en Vaz, en uitgesproken op de openbare terechtzitting.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.