ECLI:NL:RBROT:2021:11749
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank Rotterdam behandelde op 12 november 2021 de ontnemingsvordering tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, onder C, van de Opiumwet op 19 mei 2016.
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €9.000,-, gebaseerd op een rapportage van 26 september 2018 waarin werd gesteld dat de veroordeelde voordeel had behaald uit de verkoop van hennep aan een onbekende man.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat op 19 mei 2016 108 kilogram henneptoppen in een pand waren aangetroffen. Camerabeelden toonden een onbekende man die dozen uit dat pand in een bedrijfsauto plaatste, waarvan werd aangenomen dat deze hennep bevatten. Echter, de rechtbank oordeelde dat niet met de vereiste mate van zekerheid kon worden vastgesteld dat de dozen daadwerkelijk hennep bevatten of dat de verkoop had plaatsgevonden.
Daarom werd niet aannemelijk geacht dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel had verkregen. De rechtbank wees de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.