Eiser en eiseres ontvingen beiden een AOW-pensioen volgens de alleenstaandennorm. Verweerder herzag dit pensioen met ingang van 18 juli 2005 naar de gehuwdennorm en vorderde een bedrag van €58.757,44 terug wegens een vermeende gezamenlijke huishouding. De rechtbank beoordeelde of verweerder voldoende bewijs had geleverd dat eiser vanaf die datum zijn hoofdverblijf bij eiseres had.
Het onderzoek van verweerder bestond uit huisbezoeken, verklaringen van buurtbewoners, waarnemingen, waterverbruikgegevens en een gezamenlijke verklaring van eiser en eiseres. De rechtbank vond deze verklaring onduidelijk, onvolledig en onvoldoende gespecificeerd over de periode sinds 2005. Ook de overige onderzoeksbevindingen boden onvoldoende grondslag om het hoofdverblijf van eiser bij eiseres aan te nemen vanaf 2005.
De rechtbank stelde vast dat eiser en eiseres vanaf 6 juni 2019 samenwonen, na ontslag van eiseres uit het revalidatiecentrum, en dat dit niet tijdelijk is gezien haar dementie. De rechtbank concludeerde dat verweerder niet voldeed aan zijn bewijslast en het besluit onzorgvuldig was voorbereid. Daarom gaf de rechtbank verweerder zes weken de tijd om het gebrek in het besluit te herstellen, waarna een einduitspraak volgt.