Belanghebbende ontving bijstand als alleenstaande, maar het College van B&W trok deze bijstand in vanaf 1 september 2009 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met [C]. Belanghebbende en [C] woonden afwisselend in elk hun eigen woning, waarbij belanghebbende drie dagen per week bij [C] verbleef en [C] in het weekend bij belanghebbende.
De Centrale Raad oordeelde dat zij een gezamenlijke huishouding voerden omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, gebaseerd op het feit dat zij elkaar bezochten en zorg voor elkaar hadden. De Hoge Raad stelt dat het zwaartepunt van het persoonlijke leven per persoon moet worden vastgesteld om het hoofdverblijf te bepalen, ook als sprake is van samenwonen of een LAT-relatie.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van de Centrale Raad dat zij hetzelfde hoofdverblijf hadden en wijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de juiste maatstaf. De uitspraak over wederzijdse zorg blijft in stand. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van cassatie en moet het betaalde griffierecht vergoeden.