Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
[verzoekster] ,
Het verloop van de procedure
- het verzoekschrift met producties, ontvangen op 30 september 2020;
- het aanvullend verzoekschrift met één productie, ontvangen op 4 december 2020;
- de stukken die per e-mail van 6 december 2020 door mr. P.J.M. Petit namens de heer
Omschrijving van het geschil
- een billijke vergoeding aan [verzoekster] van € 13.775,04 bruto;
- de wettelijke transitievergoeding van € 558,02 bruto;
- de vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 573,96 bruto;
- het maandsalaris van € 573,96 bruto, vermeerderd met emolumenten vanaf 17 maart 2020 tot en met 31 juli 2020, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro;
- de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot de dag van algehele voldoening;
- de proceskosten.
De beoordeling van het geschil
‘Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering tijdig bij exploot aan haar kenbaar heeft gemaakt. (…)’.De ratio van artikel 130 lid 3 Rv Pro is dat voorkomen moet worden dat de niet verschenen gedaagde (of in dit geval verweerder) tot iets wordt veroordeeld waarvan hij niet weet en niet kan weten dat het wordt gevorderd. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake. Hoewel [verweerster] niet in het geding is verschenen, is haar directeur, [naam persoon] , verschenen met zijn gemachtigde mr. Petit. Laatstgenoemde heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling stukken overgelegd. [naam persoon] heeft er bovendien blijk van gegeven dat hij het aanvullend verzoekschrift heeft ontvangen. Nu de directeur van [verweerster] , [naam persoon] , dus op de hoogte was van het verzoekschrift, de mondelinge behandeling daarvan en het aanvullend verzoekschrift, zal op het aanvullend verzoekschrift worden beslist.