ECLI:NL:RBROT:2021:2348
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over SREP-besluiten financiële holding en dochteronderneming inzake kapitaalverhoging
De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van een financiële holding en haar dochteronderneming tegen SREP-besluiten van De Nederlandsche Bank (DNB) waarin kapitaalverhogingen werden opgelegd vanwege blootstelling aan niet erkende geldmarktfondsen.
DNB had vastgesteld dat de dochteronderneming niet alle risico’s in haar ICAAP-document had meegenomen, met name de blootstelling aan niet erkende geldmarktfondsen, waardoor een kapitaalopslag werd opgelegd. De holding werd mede aangesproken op grond van de geconsolideerde situatie. De holding had haar belang in de dochter inmiddels verkocht, waardoor DNB stelde dat het SREP-besluit voor de holding van rechtswege was vervallen.
De rechtbank oordeelde dat het besluit niet van rechtswege vervalt maar door DNB moet worden ingetrokken. De holding had onvoldoende procesbelang omdat zij geen concrete reputatieschade aannemelijk had gemaakt. Het beroep van de holding werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van de dochteronderneming werd inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard, omdat DNB het risico en de kapitaalopslag voldoende had gemotiveerd en de overtreding van artikel 165b BGfo door de dochter was vastgesteld door de bevoegde toezichthouder AFM.
De rechtbank wees ook het betoog af dat DNB een eigen onderzoek naar de overtreding moest doen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer op 18 januari 2021.
Uitkomst: Het beroep van de financiële holding is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de dochteronderneming ongegrond.