ECLI:NL:RBROT:2019:8138
Rechtbank Rotterdam
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boetes voor overtreding beleggingsregels pensioenfonds en feitelijk leidinggeven
De rechtbank Rotterdam behandelde de beroepen van een pensioenfonds en haar voorzitter tegen door De Nederlandsche Bank opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van artikel 116 van Pro de Pensioenwet. Het pensioenfonds had naast premiegelden aanzienlijke bedragen van andere middelen belegd, wat volgens DNB verboden is. De voorzitter werd tevens aangemerkt als feitelijk leidinggever van deze overtreding.
De rechtbank oordeelde dat het pensioenfonds inderdaad de wet had overtreden door het gebruik van geleend geld en derivaten voor beleggingen, wat niet toegestaan is binnen de pensioenwetgeving. De voorzitter was op de hoogte van deze situatie en had maatregelen moeten treffen, maar deed dit niet, waardoor hij persoonlijk aansprakelijk werd gehouden.
Verder verwierp de rechtbank de bezwaren van het pensioenfonds en de voorzitter over het ne bis in idem-beginsel, het vertrouwensbeginsel, het recht op een eerlijk proces en de redelijke termijn. Ook het verzoek om getuigen te horen werd afgewezen omdat de gevraagde stukken niet relevant waren voor de beoordeling van de zaak.
De rechtbank concludeerde dat de boetes terecht zijn opgelegd en verklaarde de beroepen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De beroepen tegen de bestuurlijke boetes wegens overtreding van artikel 116 van de Pensioenwet worden ongegrond verklaard.