ECLI:NL:RBROT:2021:2371

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 februari 2021
Publicatiedatum
22 maart 2021
Zaaknummer
20.1479 EA
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FWArt. 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848Art. 2 Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsaneringECLI:NL:HR:2008:BD7589
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot wettelijke schuldsanering ondanks oplopende alimentatieschuld uit Letland

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsanering op grond van artikel 284 Faillissementswet Pro. Tijdens de procedure bleek dat verzoeker een maandelijks oplopende alimentatieschuld heeft aan zijn ex-partner in Letland, gebaseerd op een uitspraak van de Letse rechter. De rechtbank heeft de zaak pro forma aangehouden om verzoeker de gelegenheid te geven een nihilstelling van deze alimentatieverplichting bij de Letse rechter te verkrijgen.

Ondanks dat de Letse rechter nog geen beslissing heeft genomen en de termijn onbekend is, oordeelt de rechtbank dat de oplopende alimentatieschuld onvoldoende grond vormt om het verzoek af te wijzen. Het verzoekschrift voldoet aan de gestelde eisen en de overige schulden op de schuldenlijst staan toelating niet in de weg. De rechtbank gaat ervan uit dat, indien de bevoegde rechter kennisneemt van het nihilstellingsverzoek, de alimentatieverplichting zo mogelijk met terugwerkende kracht op nihil zal worden gesteld, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad.

De rechtbank benoemt een rechter-commissaris en kent een voorschot toe op de vergoeding van de bewindvoerder. Tevens geeft zij de bewindvoerder last tot het openen van aan de schuldenaar gerichte correspondentie. De procedure wordt als hoofdprocedure geopend omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

Uitkomst: Verzoek tot wettelijke schuldsanering wordt toegewezen ondanks oplopende alimentatieschuld uit Letland.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling
insolventienummer: [Nummer]
uitspraakdatum: 17 februari 2021
[naam]
[adres]
[woonplaats] ,
verzoeker.

1.De procedure

Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 7 augustus 2020.
De zaak op 12 augustus, 30 september en 16 november 2020 pro forma aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen een nihilstelling van zijn alimentatieverplichting in Letland aan te vragen en te verkrijgen.
Bij brief 1 februari 2021 heeft verzoeker de rechtbank verzocht de zaak opnieuw aan te houden omdat hij nog geen beslissing op het verzoek tot nihilstelling van de rechtbank in Riga heeft ontvangen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoeker een maandelijks oplopende schuld heeft op grond van een uitspraak van de Letse rechter, die hem verplicht alimentatie te voldoen ten behoeve van zijn minderjarige dochter die met zijn voormalig partner in Letland woont.
De rechtbank heeft de behandeling van het verzoek aangehouden om verzoeker in de gelegenheid te stellen een verzoek tot nihilstelling aan de rechtbank in Riga, te Letland te doen toekomen en de beslissing daarop te kunnen afwachten.
Verzoeker heeft zijn nihilstellingsverzoek (van 20 september 2020) aan de Letse rechtbank op 25 september 2020 aan de rechtbank overgelegd. Op 1 februari 2021 heeft verzoeker de rechtbank bericht dat de rechtbank in Riga heeft nog geen beslissing genomen op het verzoek en dat het niet bekend is op welke termijn dit zal gebeuren.
Gelet op de inspanning van verzoeker een nihilstelling bij de Letse rechter te verkrijgen, oordeelt de rechtbank dat de oplopende alimentatieschuld onvoldoende grond is voor afwijzing van het verzoek strekkende toelating tot de wettelijke schuldsanering. Het verzoekschrift voldoet immers aan de daaraan gestelde eisen. Verzoeker verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, dan wel dat redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met betaling van zijn schulden. De overige schulden op de schuldenlijst staan ook niet aan toelating in de weg.
Voorts gaat de rechtbank er vanuit dat, als de bevoegde rechter kennis neemt van het verzoek tot nihilstelling van schuldenaar, de alimentatieverplichting, zo mogelijk met terugwerkende kracht, op nihil zal worden gesteld. Immers, in zijn uitspraak van
14 november 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BD7589) heeft de Hoge Raad overwogen, kort gezegd, dat moet worden aangenomen dat een schuldenaar gedurende de tijd dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen.
De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat verzoeker zich blijft inspannen om de nihilstelling, bij voorkeur met terugwerkende kracht, bij de rechtbank in Riga te verkrijgen.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening Pro (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verzoeker in Nederland ligt.

3.De beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[naam]
geboren op [geboortedatum] te [plaats] (Letland),
wonende te [adres] , [woonplaats] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. W.J. Roos- Van Toor
en tot bewindvoerder M. den Uil,
gevestigd te Nieuw-Lekkerland,
Postbus 6, 2957 ZG ;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/37e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. R.S.S. Huizinga, griffier, in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2021.