De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil over de verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder, die respectievelijk in 2016 en 2019 zijn overleden. De drie kinderen zijn ieder voor een derde deel erfgenaam. Er was onenigheid over de verdeling van roerende zaken, de geldigheid van een codicil en de kosten van de nalatenschap.
Tijdens een bespreking bij de notaris op 29 maart 2019 bereikten partijen overeenstemming over de verdeling van de roerende zaken, vastgelegd in een e-mail van 2 april 2019. De rechtbank oordeelde dat deze afspraken bindend zijn, ondanks dat een van de erfgenamen later bezwaar maakte. De waarde van de auto werd vastgesteld op €900,00, en de rest van de inboedel werd verdeeld met gesloten beurzen.
De vorderingen van een erfgenaam om rekening en verantwoording af te leggen over het beheer van de nalatenschappen werden afgewezen, omdat de andere erfgenamen geen beheer hebben gevoerd en de beneficiaire aanvaarding betekent dat alle erfgenamen vereffenaars zijn. De rechtbank kende executeursloon toe van €2.998,50 en stelde voorgeschoten kosten toe aan twee erfgenamen, onder aftrek van de waarde van de auto. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.