AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning Landverhuizersmuseum Katendrecht
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende een omgevingsvergunning voor de vernieuwing en wijziging van een loods op Katendrecht, waarin het Landverhuizersmuseum en een uitkijkpunt ('De Tornado') worden gevestigd. Verzoekers maakten bezwaar tegen de vergunning vanwege mogelijke negatieve ruimtelijke effecten zoals verkeersdrukte, parkeerproblemen, geluidsoverlast, lichthinder en privacyinbreuk.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, maar dat de afwijking door het college in redelijkheid kon worden toegestaan gezien de stedelijke transformatieopgave en het behoud van architectonische waarden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de verwachte bezoekersaantallen niet significant hoger zijn dan bij een gemiddeld museum, dat de parkeervoorzieningen toereikend zijn en dat de verkeersstromen adequaat worden afgewikkeld.
Ook werd geoordeeld dat geluid en licht van de uitkijktoren geen onaanvaardbare overlast veroorzaken en dat de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast vanwege de afstand en oriëntatie. Gelet op deze belangenafweging werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning voor het Landverhuizersmuseum met uitkijktoren wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 21/138
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 maart 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
1 [naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2],
2. [naam verzoeker 3],
3. [naam verzoeker 4],
4. [naam verzoeker 5],
te [woonplaats verzoekers] ,
(gemachtigde: mr. T.A. Hubregtse),
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M.H. Dellaert).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [naam stichting 1] (vh [naam stichting 2] ),te [plaatsnaam], vergunninghoudster, (gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de vernieuwing en wijziging van de [naam loods] aan de [adres] .
Bij besluit van 29 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.
Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekers en vergunninghoudster hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 maart 2021 .Ter zitting is namens verzoekers [naam verzoeker 1] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Via een skype-verbinding zijn verzoekers [naam verzoeker 2] , [naam verzoeker 4] en [naam verzoeker 3] gehoord. Het is niet gelukt om via de skype-verbinding met [naam verzoeker 5] contact te krijgen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. V.E. van Dijk en [naam 1] . Namens derde-partij zijn [naam 2] , directeur, en [naam 3] verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Overwegingen
1. De aanvraag van vergunninghoudster van 20 december 2019 ziet op het verbouwen van de [naam loods] . In de loods zal op de eerste verdieping het Landverhuizersmuseum gevestigd worden en op de begane grond een mix van maatschappelijke functies en horeca. In het midden van de loods zal een uitkijkpunt (‘De Tornado’) van 26,3 meter hoog worden geplaatst en aan de kopse kant van het gebouw komt een beeld van een zeemeeuw.
2. De locatie is gesitueerd in het bestemmingsplan “Katendrecht-Kern” (hierna: het bestemmingsplan) en heeft hierin de bestemming “Bedrijven” (milieucategorie IV, max. bouwhoogte 9 meter en max. bebouwingspercentage 65%, artikel 7) en de dubbelbestemming “Archeologisch Waardevol Gebied B” (artikel 14).
3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), bezien in samenhang met artikel 4, lid 1 en lid 9, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, in afwijking van het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie en met aanvulling van de motivering, in stand gelaten. De commissie heeft geadviseerd het primaire besluit op het punt van de ruimtelijke onderbouwing te herroepen. Verweerder acht de transformatie van de loods een wenselijke ontwikkeling. Het project maakt deel uit van de gebiedsontwikkeling en transformatieopgave Katendrecht en de Kop van Zuid. Het doel van deze transformatieopgave is voormalige bedrijfs- en havenlocaties te herontwikkelen als stedelijke woon- en werkgebieden. De Rijnhavenbrug verbindt de Kop van Zuid met Katendrecht en landt in Katendrecht tussen de beide Fenixloodsen. Met het project wordt het gebouw weer in een goede bouwkundige staat gebracht, waarbij de oorspronkelijke architectonische waarden behouden blijven en worden versterkt.
5. De door verzoekers aangevoerde gronden zien op de door hen gestelde strijd met de goede ruimtelijke ordening. Nu niet duidelijk is wat de verwachte bezoekersaantallen zijn, kunnen de ruimtelijke effecten volgens verzoekers niet in kaart worden gebracht. Het betreft hier de ruimtelijke gevolgen voor wat betreft verkeerstromen, parkeren, privacy, geluids- en lichtoverlast. Ook is niet duidelijk wat de aard van de horeca zal zijn en welke openingstijden door de horeca gehanteerd zullen worden.
wettelijk kader en regelgeving
6. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
(..)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚ van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
In artikel 4 vanPro bijlage II van het Bor is bepaald dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking komen:
1. een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (…);
(…)
9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten (…).
oordeel voorzieningenrechter
7. De voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. Een voorlopige voorziening is in beginsel een tijdelijke maatregel, waardoor wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van een bestreden besluit zich voordoen voordat in de hoofdzaak is beslist of het bestreden besluit in stand kan blijven. De voorzieningenrechter kan daarbij zijn verwachtingen over de uitkomst van de hoofdzaak en het gewicht van de betrokken belangen betrekken. Voorop staat echter dat een spoedeisend belang vereist dat onverwijld een voorziening wordt getroffen.
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de vergunninghoudster is gestart met de inpandige werkzaamheden in de loods. Alhoewel de werkzaamheden voor wat betreft de uitkijktoren pas in december 2021 voor het inpandige deel zullen starten en voor wat betreft het bovendakse deel in 2022, staat vast dat er al wel een groot gat in het dak is gemaakt ten behoeve van de uitkijktoren. De voorzieningenrechter acht gelet hierop een voldoende spoedeisend belang aanwezig.
9. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat:
- ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften ter plaatse van de bestemming “Bedrijven” geen museum, maatschappelijke functies en horeca is toegestaan en
- de ingevolge artikel 2, derde lid, van de planvoorschriften op de verbeelding aangegeven maximum bouwhoogte van 9 meter met ca. 17,3 meter wordt overschreden door het uitkijkpunt en het beeld van de zeemeeuw.
Verweerder heeft daarom in het primaire besluit toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2˚, van de Wabo in combinatie met artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II van het Bor.
10. Voor het gebied geldt de parapluherziening parkeernormering Rotterdam. De locatie ligt in gebiedszone A als bedoeld in kaart 3.1 Gebiedsindeling Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets Rotterdam 2018 (de Beleidsregeling). De netto parkeereis bedraagt 8 parkeerplaatsen. Er zijn 10 parkeerplaatsen structureel beschikbaar in een parkeergarage Q park Fenix.
11. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beslissing om al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan tot de bevoegdheid van verweerder behoort. Verweerder heeft daarbij beleidsruimte en de voorzieningenrechter beoordeelt of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de omgevingsvergunning te verlenen. Uit artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2˚, van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning slechts mag worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Verder is de belangenafweging die bij een besluit om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen moet worden uitgevoerd, erop gericht om te onderzoeken of het woon- en leefklimaat voor omwonenden aanvaardbaar blijft. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat het bij deze belangenafweging gaat om het gebruik dat wordt vergund bovenop het gebruik dat volgens de geldende bestemming al mogelijk is. Uitsluitend de ruimtelijke uitstraling en impact van het eerstbedoelde gebruik dienen bij de belangenafweging te worden betrokken.
12. Verzoekers stellen dat van een gemiddeld museum geen sprake is, gelet op de door hen verwachte (inter)nationale aantrekkingskracht van het museum, zodat niet vastgehouden kan worden aan de parkeernorm voor een gemiddeld Rotterdams museum. Verzoekers stellen dat, nu verweerder in het bestreden besluit geen bezoekersaantallen heeft genoemd, de ruimtelijke gevolgen van projectplan onduidelijk zijn. De door de projectontwikkelaar genoemde aantallen bezoekers van 180.000 achten verzoekers niet reëel. Zij verwijzen naar een vergelijkbaar museum in Bremerhaven (het Deutsche Auswanderhaus) dat jaarlijks 192.000 bezoekers trekt. Nu Rotterdam veel meer inwoners heeft achten verzoekers het niet aannemelijk dat het Landverhuizersmuseum maar 180.000 bezoekers zal trekken. Verzoekers verwachten dat de [naam loods] een dusdanig aantal bezoekers zal trekken uit binnen- en buitenland dat zij daar negatieve effecten van zullen ondervinden qua parkeren, verkeerstromen, geluid- en lichthinder en inbreuk op hun privacy.
13. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat, nu op deze locatie volgens het bestemmingsplan bedrijven met milieucategorie IV zijn toegestaan, de effecten en de impact van dit project op de omgeving minder in aard en omvang zijn dan reeds op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
14. Niet weersproken is de stelling van verweerder dat het bestendige praktijk is dat de bezoekersaantallen van een museum worden meegewogen op basis van het bruto vloeroppervlak van het museum en op die manier verdisconteerd in de hieruit voorvloeiende parkeereis. Verweerder heeft gelet hierop dan ook uit kunnen gaan van normale bezoekersaantallen voor een gemiddeld museum in de gemeente Rotterdam waarop de parkeernorm is gebaseerd. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het door verzoekers gestelde geen aanleiding hoeven zien aannemelijk te achten dat de vernieuwde [naam loods] grotere aantallen bezoekers zal trekken dan een gemiddeld museum. Verweerder heeft daarvoor de navolgende onderbouwing gegeven, die haar conclusie kan dragen. Het Landverhuizersmuseum betreft een themamuseum dat een overwegend specifieke doelgroep zal trekken en dat qua bezoekersaantal ook niet vergeleken kan worden met kunstmusea met wisselende tentoonstellingen. Het is niet de verwachting van verweerder dat de passagiers van de cruiseschepen een bovengemiddelde belangstelling voor het museum zullen hebben. Verweerder stelt dat de vergelijking die verzoekers met het ‘Deutsche Auswanderhaus’ in Bremerhaven maken niet opgaat omdat de aantrekkende werking van een museum afhangt van veel factoren waarbij een vergelijking met een museum buiten Nederland complicerende factoren kent (andere wetgeving, ander beleid op het gebied van toerisme etc.). Vergunninghoudster heeft ter zitting voorts verwezen naar met het Landverhuizersmuseum vergelijkbare musea in Antwerpen en Parijs die minder dan 180.000 bezoekers per jaar trekken. Verweerder verwacht niet dat de Tornado op zichzelf een substantieel hoger aantal bezoekers zal trekken.
15. Verzoekers betogen dat nu de horeca inmiddels is verdwenen uit de [naam loods] het niet duidelijk is hoe de zogenaamde consolidering vorm gaat krijgen. Nu niet duidelijk is welke categorieën horeca-inrichtingen zullen worden gevestigd en nu per categorie horeca verschillende tijden worden genoemd in het horecagebiedsplan zijn de openingstijden niet duidelijk.
16. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting genoegzaam toegelicht dat de horecafunctie een beperkte omvang heeft en dat bij de beoogde horecavoorziening een terras is toegestaan dat mag worden geëxploiteerd van 07:00 tot 23:00 uur. De aard en openingstijden van de horeca zijn bepaald in het horecagebiedsplan Feijenoord 2019-2020; op grond van dat horecagebiedsplan zal een exploitatievergunning verleend worden. De consolidatie houdt in dat voor de horeca dient aangesloten te worden bij hetgeen reeds aanwezig was in het pand. Er zal geen sprake zijn van een bijzondere of andere situatie ten opzichte van wat reeds in het pand gebruikelijk was.
17. Verzoekers vrezen voor overlast van de Tornado, zoals het stemgeluid van bezoekers op de uitkijktoren en de belichting van de toren. Over de frequentie en duur van de verlichting is volgens hen niets in de stukken te vinden.
18. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor wat betreft het stemgeluid van bezoekers van de Tornado kunnen verwijzen naar de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt vanuit een oogpunt van geluid. Voorts zal het stemgeluid niet of nauwelijks hoorbaar zijn nu het een afstand van 50 – 78 meter tot de woningen van verzoekers betreft. Voor wat betreft de verwachte lichthinder heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat nu in de traptreden van de Tornado zwakke lichtbegeleiding komt welke ’s avonds wordt uitgeschakeld van lichthinder geen sprake is. Verzoekers hebben onvoldoende onderbouwd dat het nodig is dat, zoals zij ter zitting hebben aangevoerd, voorschriften moeten worden verbonden aan de omgevingsvergunning voor wat betreft geluid en licht.
19. Verzoekers betwisten dat het aantal van 10 parkeerplaatsen in de parkeergarage voldoende is gelet op de te verwachten bezoekersaantallen. Ook geldt het contract met Q-park slechts voor een jaar en kan dit contract opgezegd worden. Daarnaast zijn de 10 parkeerplaatsen niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden nu dit in het primaire besluit niet onder het kopje ‘voorschriften’ is vermeld maar bij de overwegingen is opgenomen. Verzoekers verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2547). Verweerder heeft voorts geen rekening gehouden met de reeds bestaande verkeersproblemen in Katendrecht. Uit de wijkagenda van de Wijkraad Katendrecht Wilhelminapier blijkt dat de verkeerssituatie in de wijk onhoudbaar is geworden.
20. Voor wat betreft de stelling van verzoekers dat niet vastgehouden kan worden aan de parkeernorm voor een gemiddeld Rotterdams museum en dat 10 parkeerplekken daarom onvoldoende zijn en dat daarom ook de verkeerstromen niet zorgvuldig in kaart zijn gebracht, heeft de voorzieningenrechter hiervoor reeds overwogen dat verweerder heeft kunnen uitgaan van een gemiddeld aantal bezoekers. Dat de mogelijkheid bestaat dat de huurovereenkomst voor de 10 parkeerplekken in de parkeergarage, die volgens verweerder voor 10 jaar geldt, ontbonden wordt, is niet een omstandigheid die in de weg kan staan aan verlening van de omgevingsvergunning. Dat de 10 parkeerplaatsen in de parkeergarage niet als voorschrift aan de omgevingsvergunning zijn verbonden betreft een omstandigheid die in het kader van de bodemprocedure nog hersteld kan worden; dit kan in ieder geval niet leiden tot toewijzing van de voorlopige voorziening. Verweerder heeft ter zitting genoegzaam toegelicht dat hij in het algemeen geen parkeerplaatsen voor bussen wenst aan te leggen nu daarvan een aanzuigende werking kan uitgaan, maar dat bovendien op de Wilhelminakade parkeerplaatsen voorhanden zijn. Bezoekers kunnen dan over de Rijnhavenbrug naar de [naam loods] lopen.
21. Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd dat de verkeerstromen niet gehinderd worden door de vernieuwing van de [naam loods] . Verweerder stelt dat de verkeerstromen lopen via de Brede Hilledijk en Veerlaan en dat deze wegen zijn ingericht voor deze verkeerstromen. De bestaande verkeersproblematiek op Katendrecht heeft te maken met de transformatie van deze wijk en is van voorbijgaande aard. Geborgd wordt dat gedurende de realisatie de Veerlaan in twee richtingen beschikbaar blijft voor verkeer en hulpdiensten. Voorts wordt getracht gemotoriseerd verkeer zo veel mogelijk uit de stad te weren door het stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer en de fiets. Er liggen twee metrostations op 850 meter afstand en er worden extra fietsplekken aangelegd. Ook is de verwachting, gelet op het gebruik van de [naam loods] in de afgelopen jaren, dat slechts sprake zal zijn van een minimale toename van verkeersbewegingen.
22. Verzoekers stellen dat door de Tornado inbreuk wordt gemaakt op hun privacy omdat bezoekers tijdens het betreden van de Tornado in de woningen van de omwonenden kunnen kijken.
23. Verweerder heeft kunnen overwegen dat geen sprake is van onevenredige of onaanvaardbare inbreuk op de privacy van de omwonenden omdat de oriëntatie van de bezoekers die op de toren naar boven lopen is gericht op de Rijnhaven en niet op de woningen van verzoekers en er sprake is van een aanzienlijke afstand (circa 50-78 meter) tussen de woningen en de Tornado. Verweerder heeft bovendien van belang kunnen achten dat hier sprake is van een stedelijke omgeving.
conclusie
24. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft hetgeen verzoekers in hun verzoek hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van verzoekers aanvaardbaar blijft. Evenmin biedt het grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat geen onderzoek naar de ruimtelijke gevolgen zou zijn uitgevoerd.
25. In de omstandigheden van het geval ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding gebruik te maken van zijn bevoegdheid tevens uitspraak te doen in het beroep.
26. Gelet op het hiervoor overwogene wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021.
de griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.