ECLI:NL:RVS:2020:2547
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning voor aanleg paardrijdbak in afwijking bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Drechterland verleende op 6 december 2018 een omgevingsvergunning voor de aanleg van een paardrijdbak in afwijking van het bestemmingsplan op een perceel in Wijdenes. Appellanten, wonend op het aangrenzende perceel, maakten bezwaar tegen deze vergunning vanwege overlast en strijd met planregels. De rechtbank Noord-Holland vernietigde het besluit van het college op grond van onvoldoende naleving van voorwaarden voor afwijking binnen het weidevogelleefgebied en onduidelijkheid over voorschriften.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het college niet bevoegd was de vergunning te verlenen omdat niet aan de voorwaarden voor afwijking binnen het weidevogelleefgebied was voldaan. Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het college geen voorschrift had opgenomen over het toegelaten eigen hobbymatig gebruik van de paardrijdbak, wat een schending van het motiverings- en rechtszekerheidsbeginsel oplevert.
Het hoger beroep in zaak nr. 202000111/1/R1 werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het hoger beroep in zaak nr. 202000112/1/R1 werd gegrond verklaard, waarna het college werd veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar en tot vergoeding van proceskosten aan appellanten. De Afdeling benadrukte het belang van duidelijke voorschriften in omgevingsvergunningen ter bescherming van het woon- en leefklimaat.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen vernietiging van de vergunning wordt ongegrond verklaard, maar het hoger beroep tegen onduidelijkheid over voorschriften wordt gegrond verklaard en het college moet een nieuw besluit nemen.