Eiseres kreeg een boete van €450 opgelegd wegens het niet voldoen aan verplichte etikettering op een aanverwant product volgens de Tabaks- en rookwarenwet. De boete werd gehandhaafd na bezwaar, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Rotterdam.
De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres het product ‘in de handel had gebracht’ zoals bedoeld in de wet. De rechtbank oordeelde dat eiseres het product weliswaar als importeur kon worden aangemerkt, maar het niet aan consumenten ter beschikking heeft gesteld. Daarmee heeft zij het product niet in de handel gebracht in de zin van de wet en richtlijn.
De rechtbank concludeerde dat verweerder eiseres ten onrechte als overtreder had aangemerkt en de boete onterecht was opgelegd. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De procedure duurde niet langer dan de redelijke termijn. De uitspraak werd gedaan door rechter A.C. Rop op 7 april 2021.