Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
feitelijk verblijvende op datzelfde adres.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Rotterdam
De veroordeelde was in juli 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en in november 2019 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd die zou eindigen op 22 januari 2021. De officier van justitie verzocht in december 2020 om verlenging van deze proeftijd met zes maanden. Tijdens de zitting van januari 2021 werd de veroordeelde gehoord, evenals een reclasseringswerker die de voortgang en motivatie van de veroordeelde toelichtte.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de proeftijd een verzwaring van de straf zou betekenen, omdat de veroordeelde bij oplegging van de straf niet kon voorzien dat de proeftijd langer zou duren dan het resterende strafdeel. Hoewel de totale duur van de gevangenisstraf ongewijzigd blijft, beperkt de verlengde proeftijd de vrijheid van de veroordeelde langer en brengt het een langere periode van dreiging met zich mee.
De rechtbank stelde vast dat deze verlenging in strijd is met het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 7 EVRM Pro, dat wijzigingen die leiden tot een zwaardere straf dan voorzien bij oplegging verbiedt. Daarom werd het verzoek tot verlenging van de proeftijd afgewezen en verklaard niet-ontvankelijk.
Uitkomst: De vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens strijd met het legaliteitsbeginsel.