Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[handelsnaam],
Rechtbank Rotterdam
De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen eiseres en gedaagde over de vraag of een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte tot stand was gekomen en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen.
De rechtbank oordeelde dat met het ondertekenen van het huurvoorstel van 11 februari 2019 een bindende huurovereenkomst tot stand was gekomen, ondanks dat partijen later nog aanvullende documenten tekenden en technische details onduidelijk waren. Gedaagde had niet voldaan aan de voorwaarden voor het ter beschikking stellen van de bedrijfsruimte, waaronder betaling van de waarborgsom en automatische incasso, waardoor eiseres niet hoefde te presteren.
Gedaagde was vanaf 1 juni 2019 huur verschuldigd, ook al had hij nooit de beschikking over het gehuurde gekregen. Het beroep van gedaagde op dwaling en opschorting van betaling werd verworpen. De rechtbank ontbond de huurovereenkomst wegens niet-betaling en veroordeelde gedaagde tot betaling van achterstallige huur, boetes, buitengerechtelijke kosten en een schadevergoeding tot het moment van verhuur aan een derde, uiterlijk 31 mei 2024.
De boete wegens niet-nakoming van de exploitatieverplichting werd gematigd wegens wanverhouding. De proceskosten werden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, boetes, buitengerechtelijke kosten en schadevergoeding.