De zaak betreft een geschil tussen verzoeker en MDG over de kwalificatie van hun rechtsverhouding. Verzoeker stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst, omdat hij fulltime werkzaamheden verrichtte, in een gezagsverhouding stond en loon ontving. MDG betwistte dit en stelde dat er een overeenkomst van opdracht was, waarbij verzoeker als ondernemer factureerde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker zijn werkzaamheden via zijn eenmanszaak verrichtte, facturen stuurde en zich als ondernemer presenteerde bij de Belastingdienst. Er was geen loonheffing of sociale premies door MDG afgedragen, geen loonstroken of vakantiedagen verstrekt. Ook was onvoldoende bewijs van een gezagsverhouding; aanwijzingen konden ook passen bij een opdrachtrelatie.
Hoewel in 2017 en 2019 arbeidsovereenkomsten zijn aangeboden, zijn deze niet uitgevoerd en bleef de situatie ongewijzigd. Verzoeker heeft bewust gekozen voor ondernemerschap. De rechtbank concludeert dat de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen niet voldoen aan de wettelijke definitie van een arbeidsovereenkomst, maar aan een overeenkomst van opdracht.
De opzegging van de overeenkomst door MDG op 2 november 2020 is daarom rechtsgeldig. Het verzoek tot vernietiging van de opzegging en de overige vorderingen worden afgewezen. Verzoeker wordt veroordeeld in de proceskosten.